Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volkomene kennis van den Vader een schat is, dien de Zoon alleen op volmaakte wijze bezit; de derde: dat niemand in deze kennis van den Vader kan worden ingewijd, buiten den Zoon om. De twee eerste zinnen geven de reden te kennen, waarom de Vader alle dingen aan den Zoon heelt overgegeven, en de derde, die uit de twee eerste voortvloeit, voert de gedachte tot den feitelijken toestand terug. Want zij, die de Zoon bereid is, in de kennis van den Vader in te wijden, zijn juist de discipelen, die Hij pas kleine kinderen, of onmondigen genoemd heeft, en „wiea het Gode behaagd heeft, deze dingen te openbaren". Zoo vormt deze rede een samenhangend geheel, dat volkomen in overeenstemming is met de gelegenheid, die daartoe aanleiding heeft gegeven.

Het artikel vóór de woorden Vader en Zoon geven aan de betrekking, die zij uitdrukken, een geheel eenig, wezenlijk en absoluut karakter, dat niet toelaat, haar op dezelfde lijn te stellen met de andere betrekkingen, welke somwijlen door die zelfde woorden worden aangeduid, zooals die tusschen God en de menschen, of de vrome Israëlieten, of de theocratische koningen. Is God Vader voor zekere wezens, het is, omdat Hij de Vader is in absoluten zin, hetgeen een wezen onderstelt, dat voor Hem in absoluten zin de Zoon is. Zelfs het begrip van de Messiaansche waardigheid put, zooals Weizsacker erkent, den inhoud van dat woord niet uit. Het woord Zoon kan, zooals deze geleerde zegt, slechts de uitdrukking van het persoonlijke leven van Jezus zijn; er is geen sprake van zijn gehoorzaamheid, noch van de bescherming, die Hij van den kant van God geniet, maar van die eenheid met God, welke zijn waar „ik" kan worden genoemd (Untersuch., bl. 434). Men heeft het weleer vreemd gevonden (zie vooral Keim, II, bl. 380 en 381), dat Jezus de uitsluitende kennis van den Zoon door den Vader voor die van den Vader door den Zoon stelt. Keim meent, dat Jezus niet op deze wijze kan hebben gesproken, en hij geeft de voorkeur aan de omgekeerde orde. Het is een feit, dat in de geschriften der Gnostieken (Mardon , de Marcionieten, de Clementinische homilieën), en zelfs in de aanhalingen

Sluiten