Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertrouwelijken aard, die ten doel had, hen de grootheid van de dingen, die thans geschieden, en waarvan zijzelven de werktuigen zijn, te doen gevoelen.

Na zulke uitspraken kunnen wij geen wezenlijk verschil tusschen den Jezus der Synoptici en dien van Johannes toegeven. Men ontwaart, dat, zoowel volgens dezen als volgens gene, het bestaan des Zoons even essentiëel tot dat des Vaders behoort, als het bestaan des Vaders tot dat des Zoons, hetgeen in zich sluit, dat de eeuwigheid van den een die van den ander met zich medebrengt!).

Deze woorden, vs. 21—22, die, zooals wij gezien hebben, zoo volkomen in den historischen samenhang van Lukas passen, staan bij Mattheus (11:26 en 27) na de aan de Galileesche steden gerichte waarschuwing en de rede over Johannes den Dooper. Ik kan niet begrijpen, dat er critici zijn, die deze plaatsing boven die van Lukas verkiezen. Gess weet den samenhang bij Mattheus op geen andere manier aan te wijzen, dan door aan te nemen, dat Jezus hier de discipelen, niet tegenover de wijzen en geleerden van Jeruzalem, maar tegenover de ongeloovige bevolking van Galilea stelt, en door het woord niemand in vs. 27 aldus te omschrijven: Niemand, zelfs Johannes de Dooper niet."

1) Béoille herleidt den zin dezer woorden tot niet veel bijzonders. Jezus zou op zekeren dag op een weemoedigen toon hebben gezegd: ,,God alleen leest in de diepten mijns harten, en ik alleen ken Hem." En onder den invloed van een latere theologie" zou deze „geheel natuurlijke" gedachte den vorm hebben aangenomen, waarin wij haar hier vinden (Bistoire du dogme de la dimnité de J. O., bl. 17). Het bewijs daarvan is, volgens Séville, dat die uitspraak in haar tegenwoordigen vorm den draad der rede afbreekt. Wij hebben gezien, dat dit geenszins het geval is, en dat zij, integendeel, geheel in den samenhang blijft; en de nauwkeurige besludeering van de betrekking tusschen den vorm van Lukas en dien van Mattheus heeft ons tot een Arameesche en volkomen oorspronkelijke bron van het bericht gevoerd. Hénan meent, dat wij hier te doen hebben met een latere inlassching» die het Johanneïsche type in het synoptische systeem invoerde. Maar hoe zou zalk een inlassching in twee verschillende geschriften en in al de Handschriften en al de vertalingen daarvan gekomen zijn, en dat nog wel met de verschillen, die wij gevonden hebben, en die uit het Arameesch te verklaren zijn?

Sluiten