Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl zij de laatste lettergreep daarvan zóó veranderden, dat hij de beteekenis kreeg van: Mest-god (Dahal-Zebul). Boven deze door Lighlfoot, Wetstein, Bleek e. a. aangenomen verklaring geven Meyer en Hofmann de voorkeur aan die, welke den naam afleidt van Baal-Zebul, „Heer der woning"; onder deze „woning" zou men dan den Scheól, het verblijf der dooden, moeten verstaan. Deze opvatting is weinig natuurlijk. De woning moest dan nauwkeuriger aangeduid zijn, en het werkw. Zabal, in de beteekenis van wonen, is in het Arameesch niet gebruikelijk (Keil op Mattb. 10 : 25). Beuss stelt de Syrische etymologie Beël-debobo voor, „Heer der vijandschap", om den Vijandin volstrekten zin te kennen te geven. Maar die uitgang van het woord Beëlzebul wijkt al te zeer daarvan af, en de zin is weinig bevredigend.

Vs. 16. Het geëischte teeken moest naar de bedoeling van hen, die het vroegen, zonder twijfel de onmacht van Jezus openbaar doen worden. — Een teeken uit den hemel, zooals het vuur, dat op het bevel van Elia uit den hemel nederdaalde (2 Kon. 1 : 10), of het manna, dat door toedoen van Mozes gegeven werd. Jesaja bood Achaz een teeken aan, öf uit den hemel, of uit den Scheól (2 Kon. 7 : 11). Men eischte dus van Jezus een wonder, dat zuiver betoogend zou zijn, en aan geen enkele werkelijke behoefte zou beantwoorden. Het was in den grond der zaak niets anders, dan de derde verzoeking der woestijn; vgl. de daarmede overeenkomende eisch van Joh. 2 : 18 en 6 : 30. Zoodanig was het karakter, dat het wonderbegrip bij de Joden aangenomen had; men maakte van het wonder een soort goochelarij.

2°. De eerste rede: vs. 17—26. — Zij verdeelt zich in twee gedeelten: Eerst weêrlegt Jezus de lasterlijke verklaring, die men van zijn genezingen geeft (vs. 17—19); en daarna stelt Hij daarvoor de ware in de plaats (vs. 20—26).

Vs. 17 — 18. „Maar Hij, hunne gedachten kennende,

zeide tot hen: Ieder koninkrijk, dat tegen zich-

Sluiten