Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weiss e. a.). Men kan de grootste geleerde of de vernuftigste Rabbijn zijn, en toch geen straal van dit licht ontvangen, dat enkel door middel van een eenvoudig en oprecht hart wordt opgenomen.

Vs. 36. Toch gevoelt Jezus er behoefte aan, deze strenge waarschuwing, die Hij het volk heeft gegeven, te eindigen met een aanmoedigend woord tot zijn discipelen, wier hart het licht in zich opgenomen heeft. Als vergoeding voor alles wat zij van buiten te lijden hebben en van binnen moeten opofferen, toont Hij hun het heerlijke vooruitzicht, dat hun aanhangen van Hem hun opent. Wanneer de mensch krachtens de volkomen klaarheid van het geestelijk oog geheel en al van het goddelijk licht doordrongen is, dan geeft hij den indruk van zelf vol licht te zijn, alsof een haard van uitwendig licht zijn glans op hem wierp. Dit verschijnsel, door Jezus hier beschreven, is hetzelfde, dat bij de verheerlijking op den berg in den hoogsten graad aan Hem te aanschouwen is geweest. En ook met de geloovigen zal het zoo wezen, wanneer zij, door de eenheid met Hem, op volkornene wijze cpü( cv Kupi'a, licht in den Heer, zullen geworden zijn, zooals Paulus zegt (Efez. 5 : 8). Het zal de heerlijkheid zijn, die uit de heiligheid voortvloeit.

Hofmann meent, dat de twee zinnen van vs. 36 een pleonasme vormen, dat niet toe te laten is, en verbindt den eersten als vraag met vs. 35: „Zie (trxsvsï), of uw lichaam geheel en al licht is?" Maar men gevoelt, hoe gedwongen deze constructie is. De tautologie verdwijnt, zoodra men, overeenkomstig de orde der woorden, in den eersten zin op o\ov, geheel en al, en in den tweeden op Qvtsivov us, verlicht, evenals, den nadruk legt. Wanneer de mensch zich geheel en al, zonder eenige terughouding, aan de werking van het licht heeft overgegeven, dan gebeurt het, dat hij zelf innerlijk en uiterlijk verlicht wordt, evenals iemand, op wien een lichthaard zijn glans werpt. Vgl. 2 Cor. 3 : 18; Rom. 8 : 29.

Aan den eenen kant dus, door den tegenstand des harten aan de geopenbaarde goddelijke waarheid, een trapsgewijze

Godkt, Lukas. II. 8

Sluiten