Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen ook in het verhaal van den marteldood van Stephanus te zamen voor. De Alexandr. lezing laat de laatste woorden van den T. R. weg: ctvrüv tx lyusïx, hunne graven (vs- 48). Zij heeft door haar beknoptheid iets krachtigs. Ongelukkigerwijze lezen diezelfde Mss. met den T. R. xvtous na iirixTetvxv', en dit object van het eerste werkw. doet er ook een verwachten bij het tweede. — De parallelle plaats bij Mattheus (23:29—31) heeft een zin, die tamelijk verschillend is: „Gij zegt: Indien wij in den tijd onzer vaderen geleefd hadden, wij zouden met hen geen deel hebben genomen aan de vergieting van hel bloed der profeten. Aldus getuigt gij tegen u zeiven, dat gij de zonen zijl dergenen, die de profeten gedood hebben." Dat de gezindheid der zonen dezelfde is als die der vaderen wordt hier bewezen, niet door de daad van het bouwen van graven, maar enkel door de uitdrukking: onze vaderen. „Door te zeggen: onze vaderen, getuigt gij zelf, dat gij hunne zonen zijt." Jezus gebruikt het woord zonen in natuurlijken en zedelijken zin tegelijk: erfgenamen van hun bloed, maar ook van hun boos gemoed. Het is mij onmogelijk, te gelooven, dat deze twee zoo verschillende toepassingen van hetzelfde beeld uit een gemeenschappelijke oorkonde of de eene uit de andere zijn voortgekomen. Men kan wel den vorm, maar niet den inhoud van de woorden des Heeren willekeurig veranderd hebben.

Aan dit verwijt van het godsdienstige leven in Israël te dooden voegt Jezus, in de volgende verzen, een zeer ernstige waarschuwing toe.

Vs. 49. Aix tovto, daarom, d. w. z. wegens deze betrekking tusschen uw geest en dien uwer vaderen; vgl. Matth. 23:34, waar een dergelijk daarom voorkomt. K»i, ook, beteekent: opdat deze zedelijke gelijkheid aan het licbt trede in handelingen, die aan de hunne gelijk zijn. God zal door het zenden van een nieuw aantal profeten aan het tegenwoordige geslacht de gelegenheid geven, om te toonen, dat zij niet beter zijn, dan hunne vaderen. — Wat verstaat Jezus onder de wijsheid Gods? Ewald, Bleek e. a. meenen, dat Hij hior een boek aanhaalt, dat verloren gegaan is, en dat

Sluiten