Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hem verloochend zal hebben, gelijk Hij gezegd heeft, dat Hij belijden zal wie Hem beleden zal hebben. Het werkw. staat in het passivum, alsof die daad van zelf zou geschieden als het eenvoudig gevolg van de verloochening hier beneden.

Vs. 10. Daar Jezus in het volgende vers uitdrukkelijk tot de discipelen (vpüs, w) terugkeert, moeten wij deze woorden beschouwen als een waarschuwing aan het adres van de Hem omringende tegenstanders. Naar aanleiding van de zonde der verloochening van den kant der geloovigen, geeft Hij te kennen, dat er een nog zwaardere zonde en een nog grooter gevaar is, nl. den Heiligen Geest te lasteren. Met deze vreeselijke bedreiging zinspeelt Jezus zeer zeker op de hatelijke beschuldiging der Pharizeën, die aan den maaltijd voorafgegaan was (11 : 15), en waarop Hij in de toespraak van 11 : 17—26 geantwoord had. Aan Beëlzebul de werken toe te schrijven, waarin de heiligheid en de macht des Geestes schitterden, was wetens en willens dit goddelijke Wezen, uit wien alle licht en alle goed in den geest des menschen uitgaan, te beleedigen. Om de grootheid van deze misdaad van majesteitschennis bij uitnemendheid, als men zich zoo mag uitdrukken, beter te doen uitkomen, vergelijkt Jezus haar met een smaadheid, die Hem persoonlijk, als Zoon des menschen, wordt aangedaan. Hij noemt dezen smaad slechts een woord (\cyov); het is een ondoordachte uiting, en niet een lastering. Een woord uit te spreken tegen Jezus, die zich in zulk een nederige, van die van den verwachten Messias zoo geheel verschillende gestalte aan de blikken vertoont, is wel een vergrijp, maar een, dat niet noodwendig uit kwaden wil voortvloeit. Een oprecht vromen Jood, die nog altijd beheerscht werd door de veroordeelen, waarvan de Pharizeesche opvoeding hem doordrongen had, kon het inderdaad overkomen, Jezus aan te zien voor een overspannen, zinneloozen mensch, een Sabbatschender, en bij gevolg een bedrieger. Zulk een zonde herinnert aan die van de godvruchtige vrouw, welke vol vromen ijver haar bijdrage aan hout naar den brandstapel vafl Huss bracht, die, toen hij haar zag, uitriep: Sancta simplicitas! Zij was ook de

Sluiten