Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Al gaat zijn bezit zijn behoeften zeer verre te boven, het waarborgt hem toch het leven niet." Vandaar het voorschrift van Hebr. 13 : 5. Ta 7ropi7<rsusivi het bezitten van meer, dan men noodig heeft. Men moet waarschijnlijk alle

gierigheid, in plaats van rij?, de gierigheid lezen: eiken vorm van hebzucht. Met het „leven" wordt hier eenvoudig het aardsche bestaan bedoeld. Dit blijkt duidelijk uit het volgende voorbeeld.

Vs. 16. De uitdrukking gelijkenis kan zoowel een voorbeeld als een beeld te kennen geven. Het voorbeeld is verdicht als beeld van de abstracte waarheid. — Deze rijke grondbezitter moge een voor jaren toereikenden overvloed van goederen bezitten; deze overvloed (ro irepiftrsusiv, vs. 15) waarborgt hem het leven niet, zelfs niet tot aan den volgenden dag. — De goederen (vs. 18) zijn niet slechts de ingeoogste voortbrengselen van het land, maar ook de huizen, kudden, enz. — Het ontbreken van de woorden: en mijne goederen in den Sinaïticus is toe te schrijven aan de verwarring van het eene f*o5 met het andere. — En ik zal tot mijne ziel zeggen: Wanneer dit werk der herbouwing afgeloopen is, dan zal hij zoo tot zichzelf kunnen spreken; niets zal hem meer storen in het rustig genot van zijn goederen. — De ziel i}pux>i) is de zetel der genietingen van persoonlijken aard, het gevoelige gedeelte van het menschelijk wezen. Tot deze ziel zal hij spreken, alsof zij hem toebehoorde (mijne ziel); vgl. het viermaal voorkomende (toü, vs. 17 en 18. Maar hij zal vernemen, dat zelfs zijn ziel hem niet toebehoort.

Ys. 20 — 21. „Maar God zeide tot hem: Gij dwaas! ') in dezen zelfden nacht zal men uwe ziel van u terugeischen2); en hetgeen gij bereid hebt, wiens

1) N A B D en 9 Mjj. lezen a$puv; K en 5 Mjj.s occppov.

2) B L Q, lezen xtToua-ivy in plaats van xtxitowtiv.

Sluiten