Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het vereischen, vau zijn bezittingen afstand te doen of ze te beheeren met het oog op het werk Gods. Slechts de wezenlijke inhoud van het voorschrift geldt voor alle tijden; maar de wijze van uitvoering is veranderlijk. En bovendien, als wij hier de ketterij van het zalig worden door middel van het geven van aalmoezen aannemen, dan zou zij niet die van Lukas alleen zijn; want zij zou eveneens te vinden zijn in het antwoord, dat Jezus den rijken jongeling gaf, zooals het door onze drie Synoptici wordt medegedeeld. Zij zou dus een ketterij van Jezus-zelf zijn, en niet alleen die van zijn onderwijs, maar ook die van zijn leven.

Verkoopt . . . geeft ... Er ligt in deze uitdrukkingen als het ware een geestdriftvolle verachting van de goederen, waarop de aardsgezinde mensch zijn geluk laat berusten. Zij gelijken op de woorden der bergrede, waarmede Jezus niet schroomt, de aanprijzing der toegevendheid tot het uiterste toe door te voeren. Maakt u buidels. Het is duidelijk, dat Jezus zich richt tot menschen, van wie Hij weet, dat hun ingang in den hemel reeds vaststaat. Want waartoe zou het dienen, u een schat te verzamelen op een plaats, waar gij niet zult worden toegelaten? De schat, die door het geven van aalmoezen verworven wordt, is dus niet een schat, die den hemel opent, maar hij dient om dien nog schooner te maken. Jezus weet, dat ieder offer, hetwelk gebracht wordt in den geest des vertrouwens en der liefde tot de broederen, in den hemel overvloediglijk vergolden zal worden. Iedere gave, die op deze wijze geschonken wordt, wordt een eeuwige liefdeband, die gever en ontvanger met elkander verbindt. En nog meer dan dit: God-zelf beschouwt zich als den schuldenaar van den edelmoedigen gever; vgl. Spr. 19 : 17 : „Alwie den arme geeft, leent den Heer, die hem zijn weldaad vergelden zal". Jezus wil iedere gave , die in zijn naam wordt uitgereikt, beschouwen, alsof Hij-zelf haar ontvangen had (Matth. 25 : 34—40). Een in dezen geest aangeboden glas water dient tot vermeerdering van den schat, dien wij in God bezitten, omdat de liefde in de liefde een welgevallen heeft, en in den grond der zaak zich enkel

Sluiten