Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Markus (13 : 37) vinden wij na de gelijkenis vau den deurwachter, welke die van Lukas (vs. 36—38) vervangt, de kennisgeving: „Betgeen ik u zeg, dat zeg ik alleri', die op verwonderlijke wijze met de door Markus niet vermelde vraag van Petrus, waarvan Lukas gewag maakt, overeenkomt. Mattbeus eindelijk (24 : 45) deelt aan het slot der eschatologische rede, evenals Lukas, de vraag mede: „Wie is de

getrouwe en voorzichtige huishouder ?" maar zonder te

spreken over de vraag van Petrus, die haar bij Lukas motiveert, en het door Markus berichte antwoord op die vraag te vermelden. Blijkbaar hebben wij hier als het ware de stukken van een uiteen genomen raderwerk, die ieder afzonderlijk bewaard werden, en zoo ook in onze oorkonden verstrooid voorkomen. Zoo weinig deze plaats zich uit het gebruik van een gemeenschappelijke oorkonde laat verklaren — in dit geval zouden wij met een gewelddadige en belachelijke verbrokkeling te doen hebben — zoo gemakkelijk is zij te verklaren als het gevolg van een mondelinge overlevering, die in de kerk in omloop was.

Nadat Jezus zich op deze wijze aan den natuurlijken gang van het onderhoud heeft overgegeven, komt Hij terug op het uitgangspunt van dit geheele tooneel (vs. 13 en 14), en legt, speciaal met het oog op de apostelen, nadruk op de uit den tegenwoordigen toestand van het werk Gods op aarde voortvloeiende noodzakelijkheid van het afzien van de aardsche goederen. Hij schildert dezen toestand eerst in verband met zijn eigen persoon (vs. 49—50) en daarna in verband met dien der zijnen (vs. 50—53).

ySi 49—50. De tegenwoordige toestand, met betrekking tot Jezus: „Ik ben gekomen, om een vuur op 0 de aarde te werpen; en hoezeer zou ik wenscben, dat het reeds ontstoken was. 50.

1) T. R. leest ei;, met D en 10 Mjj.; SiB en T Mjj.: «r(.

Sluiten