Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1°. Vs. 1—3. De door Pilatus vermoorde Galileërs.

Vs. 1—3 ')• »IQ dienzelfden tijd bevonden zich daar eenigen, die verhaalden, wat er gebeurd was met de Galileërs, wier bloed Pilatus met dat hunner offeranden gemengd had. 2. En antwoordende , zeide Hij 2) tot hen: Meent gij, dat deze Galileërs grootere zondaars zijn geweest, dan al de andere Galileërs, omdat zij deze dingen 3) hebben ondergaan? 3. Neen, zeg ik u, maar indien gij u niet bekeert, zult gij allen desgelijks 4) omkomen."

Josephus maakt geen gewag van de gebeurtenis, waarvan hier sprake is. De Galileërs waren zeer onrustig; botsingen met de Romeinsche bezetting grepen gemakkelijk plaats. De uitdrukking: hun bloed niet hunne offerande vermengen, heeft al den ophef van den verhaaltrant van het volk. Het imperf 7rxpïj<7xv schildert: Zij waren daar en verhaalden." — De profetische blik van Jezus onderscheidt terstond de beteekenis van dit feit. In deze slachting door het zwaard van Pilatus ziet Hij het voorspel van die, welke het Romeinsche leger weldra in het geheele heilige land, en inzonderheid in den tempel, de laatste toevlucht van het volk, volbrengen zou. Inderdaad was, 40 jaren later, al wat er van het Galileesche volk was overgebleven in den tempel verzameld en boette onder het zwaard van het Romeinsche leger voor

1) Afarcion liet het geheele gedeelte, vs. 1—9, weg.

2) De woorden o Ivfjov;, die T. R. met A D en 13 Mjj. leest, worden door t(BL weggelaten.

3) T. R. met A en 13 Mjj : rot avru-, nBDL: ravra.

4) T. R., met A en 18 Mjj. atrttvruic, J?BDL: opoi u>(.

Sluiten