Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet oprichten. 12. En Jezus, haar ziende, riep haar, en zeide tot haar: Vrouw! gij zijt verlost van ') uwe zwakheid. 13. En Hij legde de handen op haar, en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God."

De lichamelijke toestand dezer vrouw hing samen met een psychische onmacht, welke het gevolg van een hoogere oorzaak was, die haar wil gebonden had. Dit wordt te kennen gegeven door de uitdrukking: een geest van zwakheid. Het woord Aadeveix moet hier liever in den eigenlijken zin, dan in dien van: ziekte worden opgevat. Jezus geneest eerst de oorzaak: de psychische kwaal: Gij zijt verlost; x7ro?J?.vcrzi (perf.): „het is een afgedane zaak, een feit; de daemon is uitgedreven." Uit het geloof dat de kranke aan de verklaring hecht, put zij de geestkracht, die haar ontbrak Daarna stelt Jezus, door de oplegging der handen, het organisme weder onder de heerschappij van den bevrijden wil.

Vs. 14 — 16. Het onderhoud: „En het hoofd der Synagoge, er over verontwaardigd, dat Jezus op den Sabbat genezen had, antwoordde, en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, waarin men werken moet;2) komt op die dagen,3) om u te laten genezen, en niet op den dag des Sabbats. 15. De Heer, *) dan 6) antwoordde hem, en zeide: Gij geveinsden ! 6) Maakt niet ieder van u op den

1) T, R. laat, met B en 4 Mjj., «to weg, dat NADX lezen.

2) B laat sv ociq weg, en N sv ociq $et spya%e<rQai.

3) N AB en 3 Mjj.: sv ocvroeis, in plaats van ev txutouq.

4) D F U r lezen o lyrovs, in plaats van o xvpio$.

5) NBDL: $e, in plaats van ovv.

6) T. R., met DVX: v7roxptTcc; al de anderen: vnoKpiTott.

Sluiten