Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vs. 12—14. Men heeft plaats genomen; een vermaning tot weldadigheid.

Vs. 12—14. „En Hij zeide ook tot dengene, die Hem genoodigd had: Wanneer gij een ontbijt of een middagmaal zult geven, noodig dan niet uw vrienden uit, noch uw broeders, noch uw bloedverwanten, noch uw rijke buren, opdat ook zij u niet weder noodigen, en u vergelding geschiede. 13. Maar wanneer gij een gastmaal houdt, noodig dan armen, verminkten, kreupelen; 14. en gij zult zalig zijn, omdat zij het u niet kunnen vergelden; want') het zal u vergolden worden bij de opstanding der rechtvaardigen."

Toen ieder plaats genomen had, ontdekte Jezus, dat de gasten over het algemeen tot de hoogere klasse der maatschappij behoorden. Dit geeft Hem aanleiding om tot zijn gastheer een vermaning tot liefdadigheid te richten, die hij, evenals de vorige, inkleedt in den vriendelijken vorm van een aanbeveling van hetgeen vereischt wordt door het welbegrepen belang van den persoon, tot wien Hij spreekt. Het jjt.\faire, opdat niet (vs. 12), heeft iets vroolijks en bijna schertsends: „Wees op uw hoede: hetzelfde terug te ontvangen is een ongeluk, dat vermeden moet worden! Want als men hier beneden reeds vergelding ontvangen heeft, dan is het gedaan met de toekomende." Jezus wil niet verbieden, degenen, die men liefheeft, bij zich te ontvangen. Hij wil enkel zeggen: „Met het oog op het toekomende leven, kunt gij het nog beter maken." Het is niet zonder opzet, dat Jezus de vrienden vóór de broeders en de bloedverwanten noemt: er is sprake van een vreugde-maal. De uitnoodiging

1) tt leest Se, in p'aat9 van yxf.

Sluiten