Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. Vs. 3—10. De twee gelijkenissen van het verloren schaap en den verloren penning. _ Wij hebben weêr een van die gelijkenispamt, die een zelfde waarheid onder twee elkander aanvullende gezichtspunten voorstellen (zie bij 14: 28—32 en 13: 19—21). Het gemeenschappelijke denkbeeld is in dit geval de barmhartige bezorgdheid van God ten opzichte van de verloren zondaars, tot wier werktuig Jezus zich maakt door de handelwijze, die Hem op dit oogenblik verweten wordt. Het verschil tusschen die twee gezichtspunten zal van zelf openbaar worden.

Vs. 3 7. Het verloren en wedergevonden schaap.

Vs. 3 4. „En Hij sprak deze gelijkenis tot hen, zeggende: 4. Welk mensch onder u, die honderd schapen heeft en één daarvan verliest, laat niet de negen-en-negentig op de weide achter, en gaat het verlorene achterna, totdat hij ') het gevonden heeft?"

De vragende vorm, dien Jezus aan zijn antwoord geeft, is een beroep op hun eigen geweten: „Wie van u doet niet zelf, als het oneindig minder belangrijke dingen geldt, precies hetzelfde, wat gij mij in een heel wat gewichtiger aangelegenheid tot een verwijt maakt ?" Het xvdpu7ro<;, mensch,

vormt een stilzwijgende tegenstelling met God (vs. 7).

Eén heeft in vergelijking met honderd niet veel te beteekenen. Daaruit vloeit reeds voort, dat de herder niet zoozeer door het eigen belang, als wel door medelijden word aangedreven, om te handelen zooals hij doet; dit blijkt ten overvloede uit al de bijzonderheden van vs. 5, die de teederheid van den herder beschrijven, en eveneens uit het epitheton to kvoKuxós, het verlorene, van vs. 4 en 6. Een verdwaald

1) T. E. leest met NA en 4 Mnn.; B D en 10 Mjj.: su; ov.

Sluiten