Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

burinnen viert, wanneer men daarin het transparant-beeld ziet van God-zelf, die met zijn uitverkorenen en zijn engelen zich verblijdt over de redding van één enkelen zondaar, al was deze ook de diepst gezonkene van allen! Het ivünov raw iyyikan beteekenen: bij de engelen, naar hun oordeel; of men kan de uitdrukking blijdschap in verband brengen met de blijdschap van God-zelf, waarvan de engelen getuigen zijn. De eerste opvatting is natuurlijker. — De nadruk, dien Jezus beide keeren (vs. 7 en 10) op dezen trek: de blijdschap in den hemel, legt, laat zich door de tegenstelling met het misnoegen der Pharizeën over dezelfde zaak (vs. 2) volkomen verklaren, en bevestigt alzoo ten volle den stand van zaken, die beschreven is in de inleiding, welke dus de sleutel is tot deze twee gelijkenissen, en niet minder tot de volgende.

Ondanks de bewonderenswaardige wijze, waarop Jezus deze twee eerste beelden heeft toegepast, blijven zij toch, daar zij aan het rijk der natuur zijn ontleend, voor zijn gevoel veel te ver van hun doel verwijderd. Wel hebben zij Hem het middel kunnen aanbieden, om eenigermate de gevoelens te beschrijven, die het hart van God jegens den zondaar vervullen, maar niet, om de innerlijke geschiedenis van den zondaar-zelf in het drama der bekeering te ontvouwen. Daarvoor heeft Hij een beeld noodig, dat aan het zedelijk gebied, en dus uit het menschenleven ontleend is. De twee eerste gelijkenissen laten zich samenvatten in het ééne woord genade; tot samenvatting van de derde zijn er twee woorden noodig: genade en geloof (vgl. Efez. 2 : 8).

3°. Vs. 11—32. De gelijkenis van den verloren en wedergevonden zoon.

Deze gelijkenis bestaat uit twee schilderijen, waarvan de eene het pendant van de andere is: 1°. die van den jongsten (vs. 11—24), en 2°. die van den oudsten zoon (vs. 25—32). Met de tweede komt Jezus, zooals wij zien zullen, op den in vs. 1 en 2 beschrevene historischen toestand terug, en op deze wijze wordt het tooneel volledig gemaakt.

Sluiten