Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mgne vrienden vroolijk te zijn. 30. Maar toen deze uw zoon, die zijn goed met slechte vrouwen doorgebracht heeft, terug kwam, hebt gij het gemeste kalf voor hem geslacht. 31. Doch hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd met mij, en al het mijne is het uwe. 31. Maar men behoorde wel feest te vieren en blijde te zijn: want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden1), en hij was2) verloren, en is terug gevonden."

Dit gesprek stelt de Pharizeesche denkwijze in het volle licht, en doet de tegenstelling, die zij vormt met de vaderlijke gezindheid van God, duidelijk nitkomen. Deze stap van den vader in de gelijkenis, die naar buiten tot zijn zoon gaat, en hem aanspoort, om binnen te komen, wordt in dit gesprek-zelf tusschen Jezus en zijn Pharizeesche toehoorders verwezenlijkt. Want in dezen Jezus, die met hen spreekt, staat de God des heils bij hen, en smeekt hen als het ware, om in te gaan in zijn plan van barmhartigheid en vergeving. — Het antwoord van den zoon op deze bede (v. 29 en 30) bevat twee beschuldigingen tegen den vader, waarvan de eene betrekking heeft op zijn handelwijze tegenover hem (v. 29), en de andere op zijn handelwijze ten opzichte van zijn jongsten zoon (v. 30). Het contrast, dat de een met de andere vormt, moet, volgens hem, de onrechtvaardige partijdigheid van zijn vader in het volle licht stellen. De naïeve en blinde voldaanheid met zichzelf, die het wezen van het Pharizeïsme uitmaakt, kan niet beter worden gekenschetst, dan met deze woorden: „Ik heb nooit uw gebod

1) N BLE A lezen in plaats van avs^trev, dat T. R. met AD en 13 Mjj. It. leeat.

2) ABDLRX laten yv weg.

Sluiten