Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het middel is, om van zijn vroegere ongerechtigheden te worden vrijgesproken. Deze gelijkenis zou onder de handen van Lukas de bestemming hebben verkregen, aan de heidenen den ingang in het koninkrijk Gods toe te zeggen, zoo zij weldadigheid oefenen jegens de Joden, de wettige erfgenamen van dit koninkrijk. De tweede 'gelijkenis zou eveneens oorspronkelijk de strekking van het Ebionitische Joodschchristendom hebben gehad; zij zou de vier zaligsprekingen en het viervoudig „ Wee uwaarmede de bergrede bij Lukas geopend wordt, ten tooneele voeren. Later zou men daarvan de schildering hebben gemaakt van de verwerping der ongeloovige Joden, die door den goddeloozen rijken man en diens broeders worden voorgesteld, en van de zaligheid der heidenen, wier beeld de persoon van Lazarus is (die volgens vs. 21 waarschijnlijk een heiden moet zijn). Wij zullen zien, of de exegese dergelijke onderstellingen rechtvaardigt.

Dit gedeelte behelst: 1°. de gelijkenis van den onrechtvaardigen rentmeester met de opmerkingen, die daarmede gepaard gaan (vs. 1—13); 2°. opmerkingen, die de inleiding tot de gelijkenis van den rijken man vormen, en deze gelijkenis zelve (vs. 14—31). De eene schildering is blijkbaar het tegenstuk van de andere. Het denkbeeld, dat zij met elkander gemeen hebben, is de betrekking tusschen de besteding van de aardsche goederen en de toekomst der menschen aan gene zijde des grafs. De rentmeester stelt den eigenaar voor, die door een verstandig gebruik van deze vergankelijke goederen zijn toekomstig lot weet te verzekeren; de goddelooze rijke daarentegen, den mensch, die door het veronachtzamen van dit juiste gebruik zijn toekomst op het spel zet.

1°. Vs. 1—13. De onrechtvaardige rentmeester.

Bestaat er een verband tusschen deze leering en de voorgaande? De formule ëï.sye Ss nxi, en Hij zeicle ook (vs. 1), schijnt dit aan te duiden. Olshausen neemt aan, dat de discipelen (vs. 1), tot wie de gelijkenis van den onrecht-

Sluiten