Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vs. 3—4. Het plotselinge besluit: „En de rentmeester zeide bij zich zelf: Wat zal ik doen, daar mijn heer mij het rentmeesterschap ontneemt: Spitten kan ik niet; te bedelen schaam ik mij. . . 4. Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap') afgezet zal zijn, menschen mij in hunne huizen mogen ontvangen."

De woorden: hij zeide bij zichzelf hebben eenige overeenkomst met het tot zichzelf gekomen zijnde van 15 : 17. Het is een daad van inkeering tot zichzelf na een leven, dat in de bedwelming van het genot werd doorgebracht. De toestand van dezen man is hachelijk. Van de twee uitwegen, die hem voor den geest komen, is de eerste, veldarbeid, hem even onverdragelijk als de tweede, bedelen, de eene physiek, de andere zedelijk. Na een korte poos te hebben nagedacht, slaat hij zich eensklaps voor het voorhoofd en roept uit: „Ik ben er!" Eyvav: ik weel het (vs. 4) I Het vonnis is in zijn oogen een onherroepelijk feit: Wanneer ik afgezet zal zijn. Maar die goederen, die hij spoedig aan een ander moet overgeven, hij heeft ze eenigen tijd nog in handen. Als hij zich haast, kan hij er nog partij van trekken met het oog op den tijd, waarin hij ze niet meer zal hebben, en zich b. v. een toevluchtsoord verzekeren voor den dag, waarop hij zonder dak zal zijn. Zoo kan ook de mensch, die met ernst denkt aan zijn nabij zijnden dood en aan de volkomene berooving, die daarop volgen zal, als hij verstandig is, een krachtig besluit nemen, en van de goederen zijns Meesters, die hij nog voor een korten tijd in handen heeft, zulk een gebruik maken, dat zij hem interest opleveren, wanneer zij hem zullen ontnomen zijn.

1) kBD lezen sx vóór tiowovonioct. Godet, Lulcas. II.

17

Sluiten