Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vs. 8. De lofspraak van den heer: „En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij met beleid had gehandeld. Want de kinderen dezer eeuw overtreffen de kinderen des lichts in beleid, in hun manier van handelen jegens de menschen van hun eigen geslacht."

Hoe is het mogelijk, dat men de beteekenis van deze lofspraak zoo verkeerd heeft kunnen verstaan, dat men haar ook met de ontrouw van den rentmeester in betrekking heeft gebracht? De heer beperkt uitdrukkelijk de toepassing daarvan tot het beleid, waarvan de handelwijze van den rentmeester getuigt. Bovendien laakt hij deze handelwijze uit een zedelijk oogpunt, zooals duidelijk blijkt uit de uitdrukking: „de onrechtvaardige rentmeester." Schleiermacher heeft wel is waar den genit. rijf? dS<*/«? van het verb. ivyvepcv laten afhangen; maar het volgende oti laat zich met deze opvatting niet vereenigen, evenmin als de uitdrukking i^x^uvöii rij? xiïmxs van vs. 9, welke klaarblijkelijk in een logisch verband staat met de uitdrukking van vs. 8. Vgl. ook de analoge uitdrukking xpirijf rijs aèmxs in 18 : 6. De lofspraak van den heer moet dus ongeveer op de volgende wijze worden omschreven: „Hij is inderdaad een knap man. Het is jammer, dat zijn eerlijkheid zijn bekwaamheid niet evenaarde!"

Waarin bestond nu deze door den heer geprezene bekwaamheid? Daarin, dat hij in den korten tijd (rx%éus, gauw, vs. 6), gedurende welken hij nog beschikken kon over de goederen van zijn heer, deze zóó heeft weten te gebruiken, dat hij later, als zij niet meer onder zijn beheer zouden zijn, er voordeel van trekken kon. De toepassing op de christelijke weldadigheid springt in het oog. Als Weizsacker beweert, dat deze lofspraak van den heer uit de gelijkenis moet worden geschrapt, dan bewijst dit slechts, dat hij de gelijkenis niet begrepen heeft. Het is zonneklaar, dat de volgende opmerking over de handelwijze van de kinderen

Sluiten