Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op wien gij hoopt, die zal uw aanklager zijn." Wij moeten evenwel erkennen, dat deze inleiding (vs. 14—18) een zeer fragmentarisch karakter vertoont. Het zijn meer bestanddeelen eener rede, dan de rede zelf. Maar juist dit bewijst, dat Lukas zich niet veroorloofd heeft, deze inleiding willekeurig samen te stellen. Welk geschiedschrijver zou op deze wijze schrijven ? Een door den Evangelist verzonnen rede zou stellig een duidelijken logischeu samenhang hebben aangeboden, evengoed als de redenen, die Livius of Xenophon zijn helden in den mond legt. Deze fragmentarische redactie bewijst reeds op zichzelf, dat een rede zooals die van vs. 14 en verv. werkelijk in dien tijd gehouden werd, en dat zij de grondslag is van het onsamenhangende bericht van Lukas.

Vs- 14—15. „En de Pharizeën, die het geld lief hadden, hoorden ook1) al deze dingen, en zij bespotten Hem. 15. En Hij zeide tot hen: Gij zjjt degenen, die zichzelven voor de menschen rechtvaardigen, maar God kent uwe harten; want hetgeen hoog is2) onder de menschen, is een gruwel voor God."

De laatste woorden van Jezus over de onmogelijkheid, om den dienst van God met die van den Mammon te vereenigen, vielen loodrecht op de Pharizeën; want deze zoogenaamde dienaren van Jehova waren desniettemin ijverige aanbidders voor den Mammon. Weiss meent, dat Lukas hier op zijn eigen gezag de bepaalde toepassing op de Pharizeën invoert. Maar in de bergrede, zooals Mattheus ons die mededeelt, knoopt zich de plaats tegen het verkeerd gebruik van den rijkdom, die met ons 13"® vers eindigt

1) N B D L R 3 Mnn. Syr. It. laten axi v<5<5r 01 (pacpieociot weg, welk woord T. R. met A en 15 Mjj. leest.

2) T. R. Iee9t met E en 2 Mjj.; ^ABD en 7 Mjj.: laten het weg-

Sluiten