Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt over deu dood der aartsvaders, onderscheiden uitdrukkelijk hun begrafenis van hun verzameld worden tot de vaderen in den Scheol, en stellen ze voor als twee verschillende feiten (15 : 15; 37 : 35). Op de Rabbijnsche plaats, die wij zooeven hebben aangehaald, is ook alleen van de zielen sprake. Het is zonneklaar, dat het pron. xvtóv het ware „ik" van Lazarus, zijn ziel, te kennen geeft. Van zijn begrafenis wordt geen gewag gemaakt, omdat zij zonder eenige staatsie of zelfs in'het'geheel niet heeft plaats gehad, daar het lichaam op de mestvaalt geworpen werd. In ieder geval springt de tegenstelling met de zoo uitdrukkelijk vermelde begrafenis van d -n rijke in het oog. Het is nutteloos, dit te ontkennen, zooals Weiss doet, of met Göbel en Keil dit contrast tot dezen zin te willen herleiden: zoowel voor den een als voor den ander was alles voorbij. Neen, voor den rijke was er een prachtige lijkstoet, maar daarentegen waren er geen engelen, om de ziel van den begravene in den schoot van Abraham over te brengen.

Gewoonlijk vat men de uitdrukking schoot van Abraham op als de aanduiding van dat gedeelte van den Hades of den Scheol, waar de rechtvaardigen des O. V. verzameld waren, terwijl de rijke zou gekomen zijn in het andere gedeelte van dezelfde plaats, dat bestemd was voor hen, die de straf Gods hadden verdiend. Bruston is met kracht tegen deze zienswijze opgekomen (Revue theol., uitgegeven te Montanban, 1885, 2) in een artikel, dat getiteld is: L'enseignement de Jesus-Christ sur la vie future. Volgens hem, hebben de Rabbijnen over het algemeen den „schoot van Abraham" niet in den Scheöl, maar in den hemel geplaatst, dien zij met het Paradijs identificeerden, of met de plaats, die „onder clen troon" wordt genoemd; en Jezus zou hetzelfde gedaan hebben, zooals blijkt uit zijn woord tot den moordenaar aan het kruis: Heden zult gij met mij in liet Paradijs zijn," welke uitdrukking volgens 2 Cor. 12; 2—4 slechts een hemelsche plaats kan aanduiden. Hoewel ik buide doe aan de geleerdheid, waarvan deze verhandeling de blijken geeft, kan ik mij toch met

Sluiten