Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

degenen, die van hier ') tot u willen overgaan, het niet zouden kunnen, en men 2) ook niet van daar tot ons zou overkomen."

De aanspraak: Kind! in den mond van Abraham is nog snijdender, dan het „Vader Abraham/" in den mond van den rijke. Abraham erkent de werkelijkheid van de betrekking, waaraan deze man herinnert, en nochtans is en blijft hij, zijn echte afstammeling, een prooi der Gehenna! — Het gedenk is het hoofdwoord der gelijkenis; het vormt den band tusschen de twee tooneelen, dat der aarde en dat van den Hades. — Dit antwoord van Abraham schijnt de gedachte uit te drukken, dat de een wegens zijn rijkdom op aarde verdoemd is, en de ander wegens zijn armoede hier beneden zalig is geworden. Maar men moet goed ia het oog houden, dat xxpxxxteïtxi, vertroost worden, niet hetzelfde beteekent als zalig worden, evenmin als gepijnigd worden, ohiD/xaöxi, hetzelfde is als verdoemd worden. De eindtoestand van verdoemenis of zaligheid onderstelt niet alleen de komst van Christus op aarde, maar ook de bekendheid des zondaars met zijn verlossingswerk (1 Petr. 4:6). Deze voorwaarden waren noch bij den onderstelden toestand des rijken noch bij dien van den arme aanwezig. Dit vers heeft dus betrekking op twee toestanden, die voor beiden nog tot het opvoedende en voorloopige tijdperk behooren. Het uitwendige middel, waardoor God den rijke tot zich heeft trachten te trekken, was de rijkdom, die hem tot dankbaarheid had moeten bewegen; het middel, dat Hij bij Lazarus gebruikte, was daarentegen het lijden, dat hem tot verootmoediging moet brengen. Het is rechtvaardig, dat God thans in het nieuwe) bestaan op omgekeerde wijze te werk gaat. Terwijl de goedheid bij den een de wonden zal verzachten, die zijn hart door de strenge behandeling werden

1) T. R. leest evrevSev, met KIT; al de anderen evitv.

2) T. R. leest o, vóór txsiiev, met 16 Mjj.; N B D laten o, weg.

Sluiten