Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al zijn plichten vervult, slechts zijn schuld jegens God betaalt, die van zijn kant in al zijn behoeften voorziet. Op het standpunt van het recht is men elkander dus niets meer schuldig. De uitdrukking , onnutte, moet hier niet in

denzelfden zin als Matth. 25 : 30 (onbekwaam om een nuttigen dienst te bewijzen) worden opgevat. Het verband doet zien, dat zij eenvoudig beteekent: die niets gedaan heeft, waardoor hij een bijzondere belooning zou verdienen. Deze waardeering van het menschelijk werk is juist op het standpunt van het recht, waarop het Pharizeïsme zich stelde, en vernietigt dit wettische systeem, door, tegelijk met de menschelijke verdienste, de verplichting van God om den mensch te beloonen te ontkennen; en aan deze beschouwing moet de mensch zich altijd houden, wanneer hij de waarde van zijn werk tegenover God schat. Maar er is een hooger standpunt, dan dat van het recht, nl. het standpunt der liefde. Op dit gebied volbrengt de mensch een arbeid van een anderen aard, nl. een, die het karakter van vreugdevolle en kinderlijke toewijding draagt; en terstond heeft er een goddelijke waardeering plaats, die op een ander beginsel gegrond is, op den oneindigen prijs, waarop de liefde de liefde stelt. Dit andere standpunt heeft Jezus in 12 : 36 en 37 uitgesproken. Holtzmann meent, dat deze vermaning niet, zooals in vs. 1 wordt gezegd, tot de discipelen gericht kon zijn, juist omdat zij bestemd is om den Pharizeeschen geest te bestrijden. Maar beval Jezus den apostelen niet aan, zich te wachten voor den zuurdeesem der Pharizeën, en is de gelijkenis van de op verschillende uren van den dag in dienst genomene arbeiders, die in den grond denzelfden zin heeft als dit voorschrift, niet tot de discipelen gericht (Matth. 20 : 1 en verv.) ? De vraag van Petrus na het weggaan van den rijken jongeling (Matth. 19:27): „Wat zal ons dat opleveren?" toont voldoende aan, dat het gevaar altijd aanwezig is voor de geloovigen. De hoogmoed hecht zich, als een knagende worm, zelfs aan de wortelen der getrouwheid. — De woorden: ou hxcö, ik meen van neen, die de Bijz. aan het einde van vs. 9 lezen, en Tischendorf, Westcolt en

Sluiten