Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hem dankende; en hij was een Samaritaan. 17. En Jezus, antwoordende, zeide: Zgn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen anderen? 18. Zijn er niet gevonden, die wederkeeren, om God eer te geven, behalve deze vreemdeling? 19. En Hij zeide tot hem: sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden."

De negen Joilen, die hunne genezing beschouwen als iets, wat hun, om zoo te zeggen, toekomt, vervolgen huu weg, gelukkig wegens de genezing, maar met een hart, dat voor de dankbaarheid gesloten is. De tiende, een Samaritaan, die diep doordrongen was van het besef van zijn onwaardigheid en van de gedachte, dat zijn genezing een onverdiend genadegeschenk was, gevoelde de behoefte om den gever zijn dankbaarheid te betuigen. Hij verheerlijkt God met luide stem (vs. 15), maar zonder het menschelijk werktuig te vergeten (vs. 16). Men lette op het verschil tusschen iïoZa&tv en euxxpÜTeïv, verheerlijken en dankzeggen, aanbidden en bedanken.

Vs. 17. Toen Jezus in hem een Samaritaan herkende, gevoelde Hij tot in het diepst zijner ziel het onderscheid, dat er bestond tusschen deze eenvoudige harten, waarin nog het natuurlijk gevoel der dankbaarheid trilde, en de door Pharizeeschen hoogmoed geheel verbasterde Joodsche harten; en zonder twijfel kwam Hem terstond het toekomstig lot van zijn Evangelie in de wereld voor den geest. Dit was voor Hem een van de talrijke voorboden van de rol der Joden en der heidenen in de geschiedenis van het rijk Gods. Nochtans vergenoegt Hij er zich mede, alleen de tegenstelling van dit oogenblik uitdrukkelijk te doen uitkomen. — Met opzet is er geen kütq, tot hem, bij eïirtv, zeide, gevoegd. Jezus spreekt in vs. 17 een overweging uit. Zijn werkelijk antwoord op de dankzegging van den Samaritaan komt eerst in vs. 18 voor (xurü). — Het subject van het verbum

Sluiten