Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De laatste woordeD, volgens de Alexandr. lezing xx) ^xnpoSur*e7, waaraan tegenwoordig algemeen de voorkeur wordt gegeven, zijn op zeer verschillende wijzen verklaard geworden. Meyer en Weiss hebben er een vraag van gemaakt, die met den voorafgaanden zin overeenkomt: „En talmt Hij te hunnen opzichte (d. w. z. hun te hulp te komen) ?" Antwoord: Neen! Maar ten eerste past dit praesens niet in den samenhang; en daarom stelt Bleek voor, ftttxpottot een fut. attic. te maken, hetgeen blijkbaar gedwongen is. Verder: Indien wij hier te doen hadden met een tweede vraag, die door kxI met de voorgaande verbonden is, hoe kan men dan het ouw buiten rekening laten, dat aan de eerste, en dus ook aan de tweede vraag een sterk bevestigende strekking geeft? Bovendien is de gedachte, dat God zijn tusschenkomst niet uitstelt, in het geheel niet in overeenstemming met de gelijkenis, waarin de rechter wèl met de zijne talmt; vgl. ook 17:22: „Er zullen dagen komen.... Om deze redenen ziet Hofmcinn in de laatste woorden niet een tweede vraag, maar het antwoord op de eerste: „Zal Hij zijn uitverkorenen geen recht doen? Ja; en als Hij talmt, dan is het ten gunste van hen. Hij wacht met hen te verlossen, totdat zij hunne volle geestelijke rijpheid hebben bereikt." Deze verklaring is nog gedwongener, dan de voorgaande. Niet alleen kan de beteekenis, die aan dit eenvoudige xxi is gegeven, niet worden toegelaten, maar er komt nog bij, dat het door Jezus op de vraag van vs. 7 gegevene antwoord blijkbaar in vs. 8 te vinden is: As'yw Sf*7v, ik zeg u. Keil geeft ongeveer dezelfde verklaring als Hofmann; alleen maakt hij van deze laatste woorden een overweging, die bestemd is, om het bevestigend antwoord op de voorgaande vraag, dat er bij moet worden gedacht, voort te zetten. „Zal Hij geen recht doen? Ja, dat zal Hij; want door te dralen met op hun roepen te antwoorden, handelt Hij barmhartig jegens hen; d. w. z. Hij doet dit uitstel strekken tot loutering van hun geloof door het lijden." Maar deze gedachte van den geestelijken vooruitgang der uitverkorenen is vreemd aan de gelijkenis; want de onrechtvaardige rechter denkt

Sluiten