Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Maar Jezus riep de kinderen tot zich 1), zeggende: Laat de kinderen tot mij komen, en verhindert hen niet: want hun, die zoodanig zijn, behoort het koninkrijk Gods toe. 17. Voorwaar, zeg ik u, dat al wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, daarin geenszins zal ingaan."

Met de uitdrukking: „ook de kinderen" of „zelfs de kinderen" wil Lukas zeker te kennen geven, dat de achting,

die men Jezus betoonde, zoo hoog gestegen was, dat...

Tx (3pé$y: de zuigelingen. — De apostelen beschouwden dit als een misbruik maken van de goedheid en den tijd van hun Meester. De lezing êiterlnuv zou aan Markus, maar de lezing cirsrln*i7xv ook aan Mattheus ontleend kunnen zijn. De eerste duidt aan, dat de daad der discipelen door de tusschenkomst van Jezus gestuit werd.

Vs. 16. Lukas, dien men beschuldigt van de Twaalven in een slecht daglicht te stellen, behandelt hen hier heel wat minder streng dan Markus, die over de verontwaardiging van Jezus spreekt {yiyxv&wtc). Bij Lukas roept Jezus eenvoudig de kinderen, die men weer wegbracht, terug, en daarna onderricht Hij de discipelen. Als naar gewoonte, resumeert Mattheus. De Alexandr. lezing: „Hij riep hen tot zich, zeggende" is blijkbaar te verkiezen boven de Byzant.: „hen tot zich geroepen hebbende, zeide Hij"; want de hoofdzaak is het terugroepen van deze menschen, die heengingen. — De kinderen hebben een dubbele ontvankelijkheid, een negatieve en een positieve: de nederigheid en het vertrouwen. Tot deze gezindheden, die het kind tegenover de menschen natuurlijk zijn, moeten wij tegenover God terugkeeren door

1) T. R. leest irpoo-xacAeirafjevot; ocvre etirev, met A en 14 Mjj. Itpler; N B D G L: Trpoo-KxAea-ctTo ccvra Aeyuv

Sluiten