Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

man te herbergen. 8. Maar Zacheus, daar staande, zeide tot den Heer: zie, Heer, ik geef de helft !) van mijne goederen aan de armen; en indien ik iemand benadeeld heb, ik geef hem het vierdubbele terug."

Jezus had tot Hem gezegd: Haast u. Er moesten namelijk toebereidselen worden gemaakt. Onder de schare, die nog altijd beheerscht werd door de Pharizeesche veroordeelen, barstte toen een algemeene ontevredenheid los. Niets duidt aan, dat de discipelen ook behoord hebben tot degenen, die murmureerden. De woorden uTxdei; Se, „maar Zacheus daar staande' (voor den Heer, vs. 8), brengen de volgende rede van den tollenaar in nauw verband met de murmureeringen van het volk. De uitdrukking arxSei; duidt, wat Weiss ook zeggen moge, een vaste en waardige houiling aan (18 : 11, in tegenstelling met 18 : 13), zooals een man aanneemt, die zijn aangetaste eer wil handhaven. Deze houding schijnt te zeggen: „Geloof mij vrij, ik ben niet iemand, die de gunst onwaardig is, welke gij mij bewijst." En dit is ongetwijfeld ook de zin van de woorden, die Zacheus spreekt. Bijna al de nieuwere uitleggers zien daarin een plechtige gelofte met betrekking tot zijn toekomstig gedrag. Het woord ïïov, zie, zou een plotseling besluit te kennen geven, en men zou de twee praesentia liluixi en «zcS/Sw^f, ik geef en ik geef terug, in den zin van futura moeten opvatten: „Van dit oogenblik af zal ik, uit dankbaarheid voor de mij betoonde gunst,... geven en .... teruggeven." Maar indien het werkw. „ik geef" desnoods aldus opgevat kan worden, dit is, naar het mij voorkomt, geenszins het geval met het „ik geef terug. De gedachte, dat men, zoo dikwijls men iemand benadeeld heeft, dit weêr vergoeden zal, laat zich niet uitdrukken door:

1) T. E. leest r« «pw, met 11 Mjj.; ARA: ra Kiurv, üBLQra imivetot.

Sluiten