Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

post krijgt in het bestuur van het koninkrijk. 6° In de gelijkenis van Mattheus is geen sprake van de vijanden, die den heer tegenwerken, en door hem gestraft worden.

Al deze bijzondere punten van verschil staan in verband met de hoofdgedachte van ieder van de twee gelijkenissen. Bij Matthens is de hoofdgedachte, dat de minder begaafde dienaren niet boos of moedeloos mogen worden bij het zien van broeders, die rijke geestesgaven bezitten. De werkzaamheid van ieder zal beoordeeld worden naar de mate van de geestelijke gaven, die hem waren toebedeeld. Bij Lukas is de hoofdgedachte der gelijkenis, dat de bedeeling der heerlijkheid eerst na een bedeeling der beproeving kan komen, omdat ieder geloovige door de wijze, waarop hij de hem geschonkene heilsgenade productief maakt, zelf het aandeel moet bepalen, dat hij hebben zal aan de heerschappij van den Heer. En daarom, terwijl bij Mattheus de talenten de geestelijke gaven voorstellen, waarvan de grootte verschilt naar gelang van de natuurlijke bekwaamheid van ieder, stellen de ponden bij Lukas het door God geschonken heil voor, met de roeping om het te verbreiden, een genade en een taak, die in zekeren zin voor allen dezelfde zijn.

De gevoelens over de betrekking, waarin de twee gelijkenissen tot elkander staan, zijn zeer verschillend. Volgens de meesten lag aan beide gelijkenissen oorspronkelijk een enkele ten grondslag; alleen zou deze oorsponkelijke gelijkenis volgens sommigen (Calvijn, Ulshausen, Holtzmann) nauwkeuriger door Lukas bewaard zijn. Holtzmann meent, dat de auteur van onzen kanonieken Mattheus, door al de bestanddeelen, die op de oproerige onderdanen betrekking hebben, uit de schildering van Lukas weg te laten, er in geslaagd is, aan de gelijkenis de schoone harmonie te geven, die zij bij hem heeft. Volgens anderen (Strauss, Meyer, Bleek, Ewald, Weiss, Reuss) daarentegen zou Mattheus de oorspronkelijke gelijkenis nauwkeurig volgens de Logia bewaard, en Lukas haar gewijzigd hebben, om haar in overeenstemming te brengen met den door hem (vs. 11) aangeduiden stand van zaken, of omdat hij haar heeft

Sluiten