Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ys. 13 — 15. Het tegenwoordige gedrag der theocratische overheden: „En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? ') Ik zal mijn geliefden zoon zenden; zij zullen toch 2) voor dezen 3) ontzag hebben. 14. Maar toen de wijngaardeniers hem zagen, overlegden zij4) onder elkander5), zeggende: Deze is de erfgenaam 6); laat ous hem dooden, opdat de erfenis de onze worde. 15. En hem buiten den wijngaard geworpen hebbende, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?"

Op dit oogenblik neemt het bericht een bijzonder plechtig karakter aan, dat bij Markus nog duidelijker uitkomt. Tegenover dezen hardnekkigen tegenstand gaat de heer des wijngaards met zich zelf te rade en neemt een besluit. — Door de uitdrukking zoon maakt Jezus een diepgaand onderscheid tusschen zichzelf en de profeten, die bloot dienaars zijn. Een zoon heeft het bloed zijns vaders in zich. En men zegge niet, dat Hij zich alleen als Messias, als drager van het hoogste theocratische ambt, den Zoon noemt. Men ziet hier duidelijk, dat Hij integendeel als Zoon gezonden is, om dit hoogste ambt te vervullen. Deze titel bevat het antwoord, dat Hij bij de voorgaande ondervraging niet heeft willen geven. — Het woord hu; beteekent nu en dan misschien,

1) B laat ti toiytru weg.

2) B leest ru^o", in plaats van i<ra(.

3) X. B. leest, met A en 13 Mjj.: Syrseh, ioo/Tec \6ór evrpawijs-ovT»/; SBC en 3 Mjj. laten het weg (aan vs. 14 ontleend).

4) T. E. leest StiAoyilfovTO, met N B C ü en 13 Mjj.; A Iv n: $ie\0yt<r«VT0.

5) T. R. ^eest exvrovf, met AC en 12 Mjj.; SBD en 3 Mjj.: irfo; aAAiMot/?.

6) T. R. leest hier Se ure, met xCD en 11 Mjj. Syr.; A B en 4 Mjj. Itpler laten het weg.

Sluiten