Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ys. 19. „En de hoogepriesters en de schriftgeleerden zochten in die ure de handen aan Hem te slaan, en zij vreesden het volk; want zij begrepen, dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had."

Er bestaat, naar het mij voorkomt, een onderlinge betrekking tusscken de twee x*/'s: aan den eenen kant zochten zij , aan den anderen werden zij teruggehouden door ... Het want aan het einde van het vers heeft op den eersten zin betrekking; het irpog en xutou; beteekent: met het oog op hen, evenals in vs. 9 en 19 : 18. Mattheus plaatst hier de gelijkenis van het groote gastmaal. Ik acht het weinig waarschijnlijk, dat Jezus bij ééne gelegenheid zoovele beelden van denzelfden aard heeft opgehoopt. Daartegen ligt de aaneenschakeling van denkbeelden, die den Evangelist aanleiding kan hebben gegeven, om deze gelijkenis hier in te lasschen, voor de hand.

IV. 20:20—26. De vraag der Pharizeën.

De officiëele vraag van het Sanhedrin had slechts gestrekt, om Jezus een triomf te bereiden. Van nu af treden de verschillende partijen afzonderlijk tegen Hem op; zij leggen Hem eenige zorgvuldig ingekleede strikvragen voor.

Vs. 20—26. De vraag aangaande het betalen van schatting aan den keizer.

Vs. 20—22. De vraag: „En zij namen Hem waar en zonden verspieders uit, die veinsden rechtvaardig te zijn, opdat zij Hem zouden vangen door een woord, door middel waarvan *) zij Hem aan de

1) T. E. leest ii( to, met A en 12 Mjj.; nBCDLi urr$

Sluiten