Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den eersten blik ontdekt Jezus den strik, maar Hij ziet ook de zwakke zijde daarvan.

Ys. 23 — 26. Het antwoord: „Maar Hij, hunne arglistigheid bemerkende, zeide tot hen *): 24. Toont my2) een penning! Wiens beeld en opschrift draagt hij? Zij zeiden3) tot Hem: Van den keizer. 25. En Hij zeide tot hen4): Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. 26. En zij konden in zijn woorden niets vinden, om tegenover het volk te berispen; en zich verwonderende over zijn antwoord, zwegen zij stil."

De om zoo te zeggen onoplosbare moeilijkheid van het vraagstuk berustte op de tegenspraak tusschen het recht van het volk Gods als zoodanig en den feitelijken toestand, waarin het zich thans bevond. De toestand volgens het recht moest zijn de nationale onafhankelijkheid ten opzichte van elke heidensche macht. De feitelijke toestand daarentegen was de onderworpenheid van Israël aan de Romeinsche heerschappij. Hoe kon deze tegenspraak worden opgelost? De Galileër Judas had haar door opstand willen oplossen; hij had het feit geloochend in den naam van het recht, en zijn poging was mislukt. Moest Jezus dit avontuur herhalen? Hij zou het volk en de Pharizeën aan zijn zijde hebben gehad. Heeft Hij dan niet, door niet op deze wijze te handelen, in den naam van het feit het recht, de wet, ja God-zelf verloochend? Ja, indien het feit niet van God-zelf

1) T. R. leest hier met ACD en 13 Mjj., rt pc TCifx^ers-, uit Mattheus overgenomen.

2) N A B D en 3 Mjj. lezen Se/gare, in plaats van txiSei%xre, dat aan Mattheus ontleend is.

3) T. B. .eest xTOxpiievre; Se, met A C en 11 Mjj.; XBL: oi Se.

4) «BL : uvtoiq, ia plaats van tpo; oeurrv;.

Sluiten