Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de godsdienstige plicht tegenover God, welke den eersten niet weêrspreekt, maar veeleer in zich sluit, daar het God is, die Israël den keizer tot souverein gegeven heeft. Wie had in deze oplossing zelfs één woord kunnen vinden, om te berispen? Voor de niet-onderworpene Pharizeën geldt het: Geeft den keizer wat des keizers is! Voor de halfheidensche Herodianen het: En Gode wat Gods is! Ieder krijgt de les, die hij noodig heeft; Jezus alleen triomfeert. Wij hebben hier wederom een bewijs voor de waarheid, dat de oprechtheid van de duif de voorzichtigheid van de slang bezit. Vgl. de ontwikkeling van dit voorschrift van Jezus in Rom. 12 en 13; iu Rom. 12 die van het tweede gedeelte daarvan: „Geeft Gode!", en in Rom. 13 die van het eerste gedeelte: „Geeft den keizer!"

V. 20 : 27—40: De vraag der Sadduceën over de opstanding.

Deze strikvraag, die ook door Markus en Mattheus op dit tijdstip wordt gesteld, was minder gevaarlijk, dan de vorige; zij stelde Jezus alleen aan bespotting bloot, ingeval Hij de nederlaag leed. Wij weten uit Josephus (Antiq., XVIII, 1,4; Bell. Jud., II, 8, 14), dat de Sadduceën de wederopstanding der lichamen, de onsterfelijkheid der ziel en alle vergelding na den dood loochenden. Uit Hand. 23 : 8 volgt, dat zij tegelijk met de opstanding het bestaan van engelen en van geesten ontkenden, terwijl zij den geest slechts beschouwden als een fijne materie, die bij den dood werd opgelost. Natuurlijk had deze theorie op het bestaan van God geen betrekking. Ook verwierpen zij het O. T. niet, noch een van de gedeelten, waaruit het bestaat. Hoe hadden zij anders zitting kunnen hebben in het Sanhedrin en het hoogepriesterschap bekleeden? Waarschijnlijk vonden zij de persoonlijke onsterfelijkheid niet voldoende geleerd in de boeken van Mozes, en aan de profetische boeken kenden zij slechts een ondergeschikt gezag toe. Zij verwierpen de overlevering in het algemeen.

Sluiten