Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*mb de beteekenis te geven van: „aan David gericht", in plaats van: „door David vervaardigd", in strijd met de vaste beteekenis, die de b auctoris in de opschriften der Psalmen heeft, alleen om David tot het onderwerp van den Psalm te maken, hetgeen natuurlijk onmogelijk zou zijn, indien hij-zelf de auteur daarvan was; zoo Ewald. Maar omdat deze interpretatie onhoudbaar blijkt te zijn, daar David nooit priester geweest is (vs. 4: „Gij zijt priester in eeuwigheid"), verplaatst men de vervaardiging van den Psalm naar den tijd der Makkabeën, en neemt aan, dat hij door den een of anderen schrijver aan Jonathan, den broeder van Judas Maccabeus, uit een priesterlijk geslacht, gericht is. Dien man, die niet eens den koningstitel heeft gehad, het kleine opperhoofd van een nietig en onbeduidend volk, zou, volgens Hitzig, een onbekende vleier voorstellen als zittende aan de rechterhand van Jehova, d. w. z. als deelnemende aan zijn heerschappij, en met goddelijke almacht, alwetendheid en alomtegenwoordigheid bekleed I

Het vooroordeel is de eenige reden om den zin en de echtheid van het opschrift, dat dezen Psalm aan David toeschrijft, te betwisten, en niet te erkennen, dat de persoon, aan wien hij gericht is, de roemrijke, door den profeet Nathan aan David beloofde nakomeling, de Messias is (2 Sam. 7). Deze Psalm bezit de kenmerkende eigenschappen der Davidische gedichten: krachtige en geheimzinnige beknoptheid, schitterende en frissche beelden, diepe gedachten. En wat den persoon betreft, die daarvan het onderwerp is, drie trekken verhinderen volkomen, aan iemand anders, dan den Messias te denken: 1° de titel Adonai, mijn Heer, dien David hem geeft; 2° het deelhebben aan de goddelijke heerschappij, die hij van Jehova ontvangt; 3° het gelijktijdige bezit van het koninklijk en het priesterlijk ambt, naar de wijze van Melchizedek, den koning en priester van Salem. De wet vestigde in Israël een onoverkomelijke muur tusschen het koningschap en het priesterschap. Want het eerste dezer twee ambten was aan den stam van Juda en het geslacht van David verbonden; het tweede, aan den stam van

Sluiten