Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een in dezen zin gestelde vraag kunnen beantwoorden" door te zeggen: „Er bestaat niet de minste tegenspraak tegen Me hoedanigheid van afstammeling van David, die wij den Messias toekennen, en zijn hoedanigheid als Heer van David, die Hem door den Psalm wordt toegekend. Want waarom zou de Messias, als nakomeling van David, niet op den goddelijken troon verheven kunnen worden, en op deze wijze een veel hoogere plaats innemen, dan die van zijn voorvader?" Wat had Jezus daarop kunnen antwoorden? Het denkbeeld van het geestelijk karakter van het Messiaansche rijk kan niet op natuurlijke wijze uit de uitdrukking Heer van David worden afgeleid; alleen op gekunstelde wijze kan men het daarmede verbinden. — Hofmann en Klostermann leggen het anders aan. Jezus zou de schriftgeleerden de noodzakelijkheid van zijn dood willen doen inzien. Als mensch is Jezus de afstammeling van David; maar Hij moet diens Heer worden, volgens den Psalm. En daartoe moet Hij sterven en weder opstaan; dan zal Hij een verheerlijkt leven bezitten, dat niet meer het leven zal zijn, hetwelk Hij van David had, maar een leven, dat Hij van God-zelf ontvangen heeft. Deze verklaring doet de scherpzinnigheid van hem, die haar voorgesteld heeft, eer aan, maar niets meer. Welk toehoorder van Jezus zou vermoed hebben, dat de door Jezus gestelde vraag de noodzakelijkheid van zijn dood moest bewijzen? Bovendien blijkt de onhoudbaarheid van deze verklaring hieruit: dat zij de aan den Messias toegekende waardigheid van „Heer van David" van zijn verheffing op den troon afleidt, terwijl volgens de uitdrukkingen van den Psalm de betrekking omgekeerd is; de waardigheid van „Heer", die de Messias bezit is het antecedent:! „De Heer heeft tot mijnen Heer gezegd", en de verheffing op den goddelijken troon is het gevolg: „Zit (als zoodanig) aan mijne rechterhand." De Messias wordt door David als zijn Heer voorgesteld, reeds vóór de goddelijke daad, waardoor Hij zijn hoogste plaats ontvangt. Strauss, met zijn helder gezond verstand, heeft gezegd (Leben Jesu, 1864, blz. 223): „öf Jezus bezat een middel, om de in de uitdrukking „zoon

Sluiten