Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het oogenblik, waarop deze dingen zullen geschieden?"

Het was avond (v. 37), liet einde van dien drukken dag (waarschijnlijk Woensdag), waarop Jezus de strikken, die zijn tegenstanders voor Hem gespannen hadden, had doen mislukken. De ondergaande zon vergulde de heilige gebouwen en de heilige stad met haar laatste stralen. — De schoone steenen, die de bewondering opwekten, duiden de prachtige zuilengangen van wit marmer en de kolossale steenmassa's aan, die het geheele tempelgebouw droegen, en waarvan Jezus met geestdrift spreekt (Bell. Jud., V, 5, 2). De v.xkx xvxóéftxrx, schoone wijgeschenken, zijn de heerlijke geschenken, die den binnensten voorhof versierden, zooals b.v. de prachtige gouden wijnstok, waarmede Herodes den ingang des tempels versierd had. — De lezing xvx4é/tx<riv moet een Hellenistische vorm voor xvxivi(ix<riv zijn. Oorspronkelijk schijnen beide vormen synoniem te zijn geweest; maar langzamerhand werd de vorm xvxiiftx gebruikt voor dingen, die ter vernietiging Gode gewijd waren, en de vorm xvxóyfix voor de dingen, die te zijner eere in het heiligdom bewaard en tentoongesteld werden, zooals de wijgeschenken, de gelofte-giften (ex-voto), enz.

Vs. 6. Markus en Mattheus zeggen, dat deze woorden tot Jezus gericht werden op het oogenblik, toen Hij uit den tempel ging. Uit het stilzwijgen van Lukas trekken de meesten het besluit, dat hij het onderhoud in den tempel-zelf heeft willen overbrengen. Maar de uitdrukking: Wat gij daar aanschouwt onderstelt veeleer, dat zij reeds op een zekeren afstand van den tempel zijn en hem in zijn geheel kunnen aanschouwen. — De woorden txütx x qeupene kunnen als een vragende zin worden beschouwd: „Zijn dat de dingen, die gij beschouwt en bewondert?" Maar zij hebben iets plechtigers, wanneer men daarin een gewone uitspraak ziet, door het txütx als nominativus absolutus op te vatten: „Deze dingen, die gij daar aanschouwt... spoedig zal daarvan . .

Sluiten