Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2° Vs. 20—24. De ondergang van Jeruzalem en van het Joodsche volk.

Vs. 20—21. „Maar wanneer gij Jeruzalem van heirlegers omringd zult zien, weet dan, dat haar verwoesting nabij is. 21 '). Dat alsdan zij, die in Judea zijn, naar de bergen vlieden: en die in de stad wonen, er uitgaan, en die op de velden wonen, in haar niet komen."

Tot hiertoe heeft Jezus de geloovigen tegen overijlde maatregelen gewaarschuwd. Nu daarentegen waarschuwt Hij hen, zich niet over te geven aan de hersenschimmen der fanatieke Joden, die zich tot het einde toe zullen inbeelden, dat God niet nalaten kan, Jeruzalem door een wonder te redden: „Er is niets van aan", verklaart Jezus; „zegt op dat oogenblik gerust, dat het met Jeruzalem gedaan, dat haar verwoesting nabij en onherroepelijk is." Het door Lukas opgegeven teeken is de omsingeling van de stad door vijandelijke legers. Lukas stelt hier in de plaats van de oorspronkelijke uitdrukking: „den gruwel der verwoestingdie wij bij Markus en Mattheus vinden, een uitdrukking, welke duidelijker het invallen van heidensche legers in het heilige land, die daarin verwoesting aanbrengen, te kennen geeft. — De uitdrukking: op de heilige plaats bij Markus en Mattheus duidt het geheele, door de vreemde bezetting ontwijde land aan; want als hier alleen van het terras des tempels sprake was, dau mocht, zooals Weiss opmerkt, het artikel vóór rèitcp dyic,) niet ontbreken. Bovendien zou het te laat zijn, iian vluchten te denken, als de hoofdstad eenmaal ingesloten was. Weiss maakt ook op het masculin. hntxhx (de ware lezing bij Markus volgens de Alexandr.) opmerkzaam, dat, als constructie ad sensum, bewijst, dat Markus onder „den

1) Marcion liet y. 21 eii 22 weg.

Sluiten