Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijnen in vs. 34 waarschuwt, zal het gevolg zijn van den redelijken toestand der wereld in de laatste tijden, een toestand, die stellig op de kerk zijn invloed zal uitoefenen; vgl. 17 : 26—30 en 1 Thess. 5 : 1—7.

Vs. 35. Het beeld van een net, dat eensklaps nedervalt op een weide, waar een zwerm vogels op zijn gemak gelegerd is. Hier wordt niet gesproken over Judea alleen, maar over de gansche aarde (al de inwoners der aarde).

Vs. 36. Waken is het beeld van aanhoudende verwachting; bidden is de daad, waarmede zulk een ernstige verwachting gepaard moet gaan. — De uitdr. IxQuyeïv, ontkomen aan, zou betrekking kunnen hebben op de overwinning over de verleiding, die van de wereld uitgaat; maar er is veeleer sprake van het ontsnappen aan het oordeel, dat komen zal over hen, die daarvoor bezwijken. De uitdrukking: staan geeft een voorgevoel van al het aangrijpende en verschrikkende, dat de aangekondigde verschijning hebben zal. Men zal door een bovennatuurlijke kracht ondersteund moeten worden, om op het gezicht van den in zijn heerlijkheid geopenbaarden Zoon des menschen niet neer te zijgen, en uit te roepen: „Bergen valt op mij, en bedekt mij!" — Jezus spreekt over deze dingen tot degenen, die Hem omgeven, alsof zij zelf van deze laatste tooneelen getuigen zouden zijn. Dit komt daar van daan, dat Hij den tijd niet weet, waarop zij plaats zullen hebben, en zijn woorden betrekking hebben op al de geslachten van geloovigen, die tot het einde toe op elkander zullen volgen, en door dit eerste geslacht werden vertegenwoordigd. Bovendien staat het voor ieder daarvan vast, dat de ure des doods voor de afzonderlijke personen, waaruit het bestaat, hetzelfde is, wat de Parousie voor het laatste zal wezen.

Op dit gedeelte, waarmede de rede bij Lukas eindigt, laat Markus de kleine gelijkenis van den deurwachter volgen, welke waarschijnlijk identisch is met die van Luk. 12 : 36 en verv. Mattheus daarentegen plaatst hier de geheele beschrijving van den eindtoestand der wereld vóór de Parousie, die wij bij Lukas in Hoofdst. 17: 36 en verv. hebben ge-

Sluiten