Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dien aard uit. Mazel1) meent, dat Jezus driemaal in deze rede de beschrijving van de tijden, die op zijn heengaan zullen volgen, weêr opgenomen heeft: 1° vs. 4 14, de toestanden in het algemeen; 2° vs. 15—31, de ondergang van het Joodsche volk, gevolgd door het oordeel, dat de heidenen zal treffen, en aan de Parousie zal voorafgaan; 8° de uiteenzetting van het geheel uit een chronologisch oogpunt. Maar is het natuurlijk, in een doorloopende en goed samenhangende rede zulk een teruggaan tot het begin aan te nemen, zonder dat de tekst een enkele aanwijzing daaromtrent bevat? Men zie over dit onderwerp Henriquet, Le discours prophétique de J. C. (1884). — De laatstgenoemde vindt, evenals wij, in Matth. vs. 15 28 en de parall. de beschrijving van de verwoesting van Jeruzalem en van haar gevolgen; maar hij ziet in vs. 29 die van het verval van de Romeinsche macht, van de tweede eeuw der kerk af, en in vs. 30 en 31 en de parall. die van de prediking en de overwinning van het Evangelie in de weieldj zoodat dit gedeelte der rede geen enkel woord over de Parousie en alleen de schildering van de groote gebeurtenissen, die na de verwoesting van Jeruzalem in de heidenwereld moesten plaats vinden, zou bevatten. Eerst van vs. 36 en de parall. af: „Wat dien dag betreft..." (met het volgende in verband gebracht) zou Jezus beginnen te spreken over het tweede onderwerp, waarover Hij (volgens Mattheus) ondervraagd was geworden, nl. de Parousie. Henriquet stemt in de verklaring van vs. 29 van Mattheus (vs. 25 en 26 van Lukas): „Er zullen teekenen in den hemel zijn..." met Dorner 2) overeen, die in de hier beschrevene buitengewone natuurverschijnselen de zinnebeeldige en profetische schildering van den val des heidendoms ziet. Maar hoe kan men de daaropvolgende uitspraak van Luk. vs. 27 en parall.: „En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien, komende op

1) Le retour de Jésus- Chriit, 1878.

2) De oratïone Christi etchatologica, etc., 1844.

Sluiten