Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grieksch onbekend; zij komt ook niet voor op de plaats van de LXX, die men gewoonlijk aanhaalt, Ps. 85 : 7. Wanneer Petrus tot God zal zijn wedergekeerd en door een ernstig berouw den verbroken band weêr aangeknoopt heeft (1 : 16), dan zal hij onder zijn broeders de steun van het gemeenschappelijk geloof zijn. Dit is inderdaad wat hij tusschen de opstanding en het Pinksterfeest is geweest. Welk een licht werpt dit woord van Jezus op de machtige werkelijkheid van de tooneelen der onzichtbare wereld en hun invloed op de aardsche dingen! Holtzmann erkent de echtheid daarvan, al is het ook door Lukas alleen bewaard. Hij schrijft het aan een bijzondere overlevering toe. Dit verhindert hem echter niet, het geheele bericht uit een gemeenschappelijke bron af te leiden.

Vs. 34. Daar Petrus meer aan zijn trouw, dan aan de waarheid van het woord van Jezus geloofde, kondigt deze, om zijn eigenwaan neêr te slaan, hem zijn nabijzijnden val aan. De naam Petrus is hier niet zonder opzet in plaats van Simon (vs. 31) gebruikt. Hij is een titel: „Gij, dien ik zoo hoog verheven, dien ik tot een Petrus gemaakt heb, zult gij dan zoo diep vallen?" Men onderscheidde drieërlei hanengekraai: het eerste tusschen middernacht en 1 uur, het tweede tegen 3 uur, het derde tusschen 5 en 6 uur. Daarom werd de derde nachtwake (van middernacht tot 3 uur), die tusschen het eerste en het tweede hanengekraai viel, xlcxTopoCpavix, hanengekraai genoemd (Mark. 13:35). Het woord van Jezus, zooals het bij Lukas, Mattheus en Johannes luidt, beteekent dus: „Vandaag, voordat de tweede nachtwake, de tijd van 9 uur tot middernacht, verloopen is, zult gij mij driemaal verloochend hebben." Markus zegt, omstandiger en zeker ook nauwkeuriger: „Voordat de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal verloochenen." Dit beteekent niet meer: vóór middernacht, maar: vóór 3 uur. De vermelding van het tweemaal kraaien van den haan, terwijl reeds het eerste gekraai voor Petrus een waarschuwing had moeten zijn, doet de grootheid van zijn zonde te meer uitkomen. — Aan het denkbeeld van

Sluiten