Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den grond zegt de apostolische dogmatiek niets meer, dan hetgeen in de woorden van Jezus vervat is. Alleen is het natuurlijk, dat in de brieven meer het goddelijk plan, en in de Evangeliën de werkzaamheid der menschelijke factoren op den voorgrond treedt. De twee oogpunten vullen elkander aan: God handelt door middel van de geschiedenis, en de geschiedenis verwezenlijkt de goddelijke gedachte.

Deze cyclus behelst drie berichten: dat van de gevangenneming van Jezus (22 : 47—53); dat van zijn kerkelijk en wereldlijk verhoor (22 : 54—23 : 25); dat van zijn kruisdood (vs. 26—46).

I. 22:47—53: De gevangenneming van Jezus.

Dit gedeelte bevat drie feiten: 1° de kus van Judas (vs. 47 en 48); 2° de poging, die de discipelen doen, om Jezus te verdedigen (vs. 49—51); 3° het verwijt, dat Jezus richt tot hen, die Hem komen gevangennemen (vs. 52 en 53).

Vs. 47—48. De kus van Judas: „En terwijl Hij nog sprak, zietdaar een schare; en de mensch, genaamd Judas, een van de Twaalven, ging vóór hen, en hij kwam bij Jezus, om Hem te kussen. 48. En Jezus zeide tot hem: Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met een kus?"

Het teeken, dat Ju Jas met de schare afgesproken had, moest dienen, om te verhinderen, dat Jezus mocht ontkomen, terwijl een der zijnen in zijn plaats gegrepen werd. In de keuze van dit teeken lag opzichzelf, zooals Langen opmerkt, doortrapte huichelarij. De kus was de gewone vorm van begroeting, inzonderheid van den leermeester door de discipelen. liet doel van deze begroeting wordt door Lukas niet vermeld; het spreekt van zelf. Bij Johannes zien wij, dat de vrijmoedige houding van Jezus, die zelf de schare tegemoet ging, dit teeken overbodig en bijna belachelijk

Sluiten