Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ys. 52 — 53. De aanspraak van Jezus tot de schare: „En Jezus zeide tot de hoogepriesters, en de hoofdmannen des tempels, en de ouderlingen, die gekomen waren, om Hem gevangen te nemen '): Gij zijt uitgegaan *) met zwaarden en stokken als tegen een struikroover; 53. en toen ik dagelijks in den tempel met u was, hebt gij de handen niet tegen mij uitgestoken! Maar dit is uwe ure, en de macht der duisternis."

Tot het aantal der aankomenden rekent Lukas ook eenige hoogepriesters. Zulke menschen kunnen, wat Meyer en Bleek ook zeggen mogen, zeer goed uit haat of nieuwsgierigheid de met de gevangenneming belaste bende vergezeld hebben. Ook geldt het volgende verwijt veeleer de hoofden, dan de ondergeschikten. — Over de hoofdmannen des tempels zie men bij 22: 4, en vergelijke over de gerechtsdienaars Joh. 7 : 45 en Hand. 5:22, 26. Bovendien spreekt Johannes nog over de bende (18 : 3, 12). Dit woord kan, vooral als het gepaard gaat met de uitdrukking x,ih!xp%oï, overste over duizend (vs. 12), en door de tegenstelling r&v 'Iouïaiuv nader bepaald wordt, niets anders te kennen geven, dan een afdeeling van de Romeinsche cohorte, hetgeen, zooals Langen herinnert, in overeenstemming is met een artikel in de wet voor de provinciën, volgens hetwelk geen enkele inhechtenisneming zonder de tusschenkomst der Romeinen mocht plaats vinden. — De zin van het verwijt van Jezus is: „Gij hebt mij niet op klaarlichten dag durven gevangen nemen." De twee andere Synoptici gaan, evenals Lukas, met een maar voort; doch dit maar wijst bij hen op de noodzakelijkheid

1) T. B. leest eir' ocvtov, met A en 13 Mjj. Syr.; N en Mjj.: npo( ccvtov.

2) T. B. leest met A en 9 Mjj.; H B en ( Mjj.: e|>jA0eTf; K en 3 Mjj.: (deze twee laatste lezingen aan de parallellen ontleend).

Sluiten