Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste verloochening gelijktijdig met deze eerste zitting heeft plaats gehad. De twee andere verloocheningen worden door Johannes na de zitting gesteld; bij gevolg hebben zij plaats gehad tusschen het verhoor bij Annas en de terstond daarop gevolgde zitting van het Sanhedrin bij Kajafas.

Ys. 58—60. De twee laatste verloocheningen: „En kort daarna zeide een ander, hem ziende: Ook gij zijt uit hen. En Petrus zeide '): Mensch! ik ben niet. 59. En toen ongeveer een uur verloopen was, verzekerde een ander, zeggende: In waarheid ook deze was2) met Hem: want Hij is ook een Galileër. 60. Maar Petrus zeide: Mensch, ik weet niet, wat gij zegt. En terstond terwijl hij nog sprak, kraaide een 3) haan."

Na de eerste verloochening had zich Petrus, alsof hij bang was voor zichzelf naar het portaal (iruhuv, Matth.) of naar den vóór het portaal gelegenen voorhof (rrpoxuktov, Mark.) teruggetrokken. Hoewel hij daar meer afgezonderd is, wordt hij toch het voorwerp van een kleine vervolging van den kant van de portierster, die hem binnen gelaten had (Mark.), van een andere dienstmaagd (Matth.), van een anderen persoon (érepo;, Luk.), van de aanwezigen in het algemeen (eïircv, zij zeiden, Joh.). De beschuldiging ging waarschijnlijk uit van de portierster, die zijn nauwe betrekking tot den discipel, die hem toegaDg verschaft had, kende; zij verried hem aan een andere dienstmaagd, en deze vestigde de aandacht der dienstboden op hem. Eindelijk, een uur later (Luk.), herkent hem een bloedverwant van Malchus (Joh.) en begint

1) S B en 5 Mjj. lezen f^i), in plaats van eixev.

2) N laat w weg.

3) Iu plaats Tan o *Aekt«p, dat T. K. met eenige Mun. leest, lezen al de Mjj. «AfKTUf.

Sluiten