Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals de begeerte om de verantwoordelijkheid voor dezen dood op Pilatus alleen te laten rusten (Mosheim), of om Jezus de bijzonder wreede straf der kruisiging, die bij de Romeinen in zwang was, te doen ondergaan (Chrysostomus), of eindelijk om de rust van het feest niet te storen (Augustinus), zijn door Langen weerlegd (bl. 246—251). — Men kan niet met zekerheid zeggen, of Pilatus in het prachtige paleis van Herodes den Grooten, in de bovenstad, dan wel in den burcht Antonia, ten noord-westen van den tempel, woonde. De overlevering laat de "Via dolorosa van de laatstgenoemde plaats uitgaan. — Door Johannes weten wij, dat de door de Joden op den voorgrond gestelde grief (vs. 2) niet het ware uitgangspunt van deze lange onderhandeling was. Zij begonnen met te beproeven, van Pilatus de uitvoering van het vonnis te verkrijgen, zonder het aan zijn bekrachtiging te onderwerpen. Sluwer dan zij, betoont Pilatus zich zeer voldaan over deze wending, die het proces neemt, en verklaart, dat hij met genoegen er in toestemt, in deze zaak niet tusschenbeide te komen, en dat Hij hun Jezus overlaat, om met Hem te doen, wat zij wilden, wel te verstaan binnen de grenzen hunner bevoegdheid (de toepassing van zuiver Joodsche straffen, zooals de verbanning uit de Synagoge, de geeseling, enz.). Daar dit niet aan het doel der Joden beantwoordde, die tot eiken prijs zijn dood wilden, moesten zij hun trotsche houding laten varen, en hun vonnis aan het oordeel van Pilatus onderwerpen. Toen brachten zij de politieke beschuldiging te voorschijn (vs. 2 en parall.), en hier vereenigt zich het bericht der Synoptici met dat van Johannes. De door de Joden aangevoerde beschuldiging was een grove leugen; want Jezus had de vraag, of men den keizer schatting moest betalen, bevestigend beantwoord, en zich altijd zorgvuldig onthouden van al wat het volk in opstand kon brengen. De schijn van waarheid, die in elke beschuldiging aanwezig moet zijn, lag alleen in de laatste woorden: Hij heeft gezegd, dat Hij de Christus is, welken titel zij slecht genoeg zijn, met koning te verklaren. Heeft Hij nu den titel van „Christus" aangenomen, waaraan zij

Sluiten