Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een politieke beteekenis toekennen, dan is het duidelijk, dat Hij, om consequent te zijn, het geven van de schatting heeft moeten verbieden. Heeft Hij het niet werkelijk gedaan, logisch had Hij het moeten doen. Men kan dus rekenen, dat Hij het gedaan heeft. Deze overzetting van den titel Christus in den titel koning voor Pilatus is vooral merkwaardig, als men haar vergelijkt met die van denzelfden titel in den titel Zoon van God voor het Sanhedrin. Door de eerste vertolking wordt de beschuldiging van muiterij gemotiveerd, gelijk de tweede die van Godslastering gemotiveerd had. Er ligt geslepenheid in dezen haat. Voor Pilatus is er dus sprake van een geheel andere beschuldiging, dan van die, welke zij zeiven als voorwendsel hebben gebruikt, om Hem te veroordeelen.

Vs. 3 — 5. Het verhoor van Jezus door Pilatus: „En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt gij de koning der Joden? En Hij antwoordde hem, en zeide: Gij zegt het! 4. En Pilatus zeide tot de hoogepriesters en de scharen : Ik vind geen schuld in dezen mensch. 5. Maar zij hielden aan, zeggende: Hij ruit het volk op, loerende*) door geheel Judea*), begonnen hebbende van Galilea tot hiertoe."

De vier berichten ontmoeten elkander in deze vraag, die Pilatus tot Jezus richt. Door Johannes weten wij, dat Jezus in het rechthuis was, terwijl de Joden op het plein stonden; Pilatus ging van hen naar Jezus, en van Jezus naar hen toe. Het korte antwoord van Jezus: Gij zegt hel! is bevreemdend. Maar uit Johannes zien wij, dat dit woord slechts de korte

1) N laat Siix<rxm weg.

2) (tBLI Syr. voegen xxi vóór otfeïtfievo( er bij.

Sluiten