Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

samenvatting is van een vrij lang onderhoud tusschen Jezus en Pilatus, dat de mondelinge overlevering niet bewaard had. Pilatus had doorzicht genoeg, om te weten, wat hij denken moest van dezen plotselingen ijver van het Sanhedrin voor de Romeinsche heerschappij in Palestina, en zijn in Joh. 18 : 33—38 uitvoerig medegedeeld gesprek met Jezus over dit hoofdpunt van de aanklacht overtuigde hem geheel en al, dat hij niet te doen had met een medediDger van den keizer. Daarom maakt hij aan de Joden bekend, dat hunne beschuldiging ongegrond is. Maar deze houden aan (vs. 5), en noemen als bewijs de volksbeweging, waarvan Galilea het uitgangspunt was (xp^d^svof), en die zich zeer kort geleden tot aan de poorten van Jeruzalem (f'«? ufo) heeft voortgeplant; een toespeling op den plechtigen intocht van Palmzondag. Op deze nieuwe, meer bepaalde en tegelijk meer uitgebreide beschuldiging wordt in Matth. 27 : 12 en Mark. 15 : 3 en 4 gedoeld. Jezus zweeg daarop. Nu komt Pilatus een ander middel om deze zaak van zich af te schuiven in de gedachten, nl. het zenden van den beschuldigde naar Herodes, den vorst van Galilea.

Vs. 6—12. Zending van Jezus naar Herodes.

Vs. 6—7. „Toen nu Pilatus over Galilea *) hoorde spreken, vroeg hij, of deze mensch een Galileër was. 7. En vernomen hebbende, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond Hij hem naar Herodes, die in die dagen ook zelf in Jeruzalem was."

Deze merkwaardige trek wordt alleen door Lukas medegedeeld. De sluwe Romein bereikte door dezen maatregel twee doeleinden tegelijk. Ten eerste schoof hij deze zaak,

1) T. R. leeat TaAMa/av na axovtrxi, met A eu 15 Mjj. It. Syr ; SBLT laten liet weg.

Sluiten