Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem, hem bij den keizer te zullen aanklagen als iemand, die een oproermaker onder zijn bescherming heeft genomen. Pilatus weet, hoe gewillig Tiberius aan zulk een aanklacht het oor zal leenen, en hij begrijpt, dat hem niets anders overblijft, dan toe te geven, indien hij ambt en leven behouden wil. Op dit oogenblik ontmoeten de vier berichten elkander opnieuw. Pilatus gaat voor de tweede maal naar zijn rechterstoel, die op eene verhevene plaats op het plein vóór het rechthuis stond. Hij wascht zijn handen (Matth.), doet nog eenmaal uitdrukkelijk uitkomen, dat hij geen deel heeft aan dezen gerechtelijken moord, die gepleegd zal worden, en levert Jezus aan zijn vijanden over.

Vs. 24—25. Het vonnis. „En Pilatus besliste, dat hun eisch geschieden zou. 25. En hij liet ^ Barabbas los, die wegens oproer en moord in de gevengenis geworpen was, dien zij eischten, en Jezus gaf hij aan hunnen wil over."

Deze plaats is de eenige in het geheele verhaal, waar de persoonlijke indruk van den geschiedschrijver door de objectiviteit van het bericht heenbreekt. De bijzonderheden aangaande het karakter van Barabbas zijn herhaald (zie vs. 19), om al het afschuwelijke van de keus van Israël te doen uitkomen, terwijl de uitdrukking: hij gaf Hem aan hunnen wil over met nadruk de aandacht vestigt op de lafheid van den rechter, die daardoor zijn roeping als beschermer van de onschuld verzaakt. Mattheus en Markus plaatsen hier de mishandelingen, die Jezus van de Romeinsche soldaten te lijden had; dit is zonder twijfel het door Johannes (19 : 1—3) verhaalde tooneel, dat hij met recht vóór de geeseling geplaatst had. Volgens Markus is het in de binnenplaats van het rechthuis voorgevallen, hetgeen met Johannes

1) T. R. voegt, met KMn Itpler Syr., hier atito,; er bij.

Sluiten