Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijzoiider getroffen zal worden. Dit laatste vloeit voort uit het verband tusschen vs. 30 en 31 ')• Het beeld van het groene en van het dorre hout is aan Ez. 21 : 3 en 8 ontleend. — De twee boosdoeners waren waarschijnlijk metgezellen van Barabbas. Misschien had Jezus deze vermeerdering van zijn smaad aan den haat der hoofden te danken; maar God heeft haar doen strekken tot verheerlijking van zijn Zoon. Natuurlijk moet men verklaren: „twee andere personen, die boosdoeners waren."

2°. Vs. 33—38. De kruisiging.

Vs. 33—34fl. „En toen zij gekomen waren2) op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar, en eveneens de twee kwaaddoeners , den eenen aan zijn rechter-, den anderen aan zijn linkerzijde. 34°. En Jezus zeide: Vader! vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen 3)."

Is de plaats waar Jezus gekruisigd werd, die, welke men thans als zoodanig aanwijst in het binnenste gedeelte van de kerk van het heilige graf? Deze vraag schijnt nog niet beslist te zijn. Zonder twijfel ligt deze plaats tegenwoordig binnen de muren der stad, maar het zou mogelijk zijn, dat zij zich toen nog er buiten bevond. Dit schijnt bewezen te worden door de sporen van graven, die men onlangs in de nabijheid van het heilige graf heeft gevonden, en eveneens

1) De Hollandsohe pliiloloog Peerlkamp (in zijn Taciti Agricola, Leiden 1864) meent, dat va. 31 na va. 27 moet worden verplaatst: „En zij beweenden Hem, zeggende: Indien dit " Maar niets in den tekst eischt deze

willekeurige verplaatsing.

ï) N B C en 2 Mjj. It. Syr. (met Syrcur.) ]ezen *ASov, in plaat van avifMov dat T. R. met al de anderen leest.

3) B D Itali'i Sah. laten de woorden o Ss It/irovt;. .. tot aan iroiovriv weg.

Sluiten