Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft. 24. En eenigen van hen, die met ons zijn, gingen heen naar het graf, en bevonden de dingen zooals1) de vrouwen hun gezegd hadden; maar Hem hebben zij niet gezien."

tx<ti toutoh, met dat al, d. w. z. ondanks de in vs. 19 beschrevene buitengewone hoedanigheden van dezen man en

de verwachtingen, die zij in ons hadden opgewekt. "hyei

kan in een onpersoonlijke beteekenis worden opgevat, zooals het Latijnsche agit diem (voor agitur dies). Maar men kan ook Jezus tot subject daarvan maken, in den zin, waarin men zegt: xysi Iskxtov hot;, hij i3 in zijn tiende jaar. — Toch blijven, naast deze ontmoedigende dingen, nog *«/') eenige redenen tot hoop over.

Vs. 23. Aiyoutrxt —el ^èyoutriv. Het eene „hooren zeggen" na het andere! Men gevoelt, dat zij weinig geloof hechten aan al deze geruchten; vgl. vs. 11 en vs. 24. Het rivès, eenigen, doet zien, dat Petrus volgens hun voorstelling van de zaak niet alleen was, ofschoon hij alleen in het bericht (vs. 12) genoemd is. Zooals wij weten, was Johannes bij hem (Joh. 20 : 3). Dit is een van de vele voorbeelden, hoe de eenvoudige en naïve verhaaltrant der gewijde schrijvers, zonder het te willen, strikken voor de kritiek spant: zij zeggen bij iedere gelegenheid slechts datgene, wat de samenhang vereischt, en laten alles weg, wat verder gaat; en als later een andere samenhang daartoe aanleiding geeft, dan vermelden zij hetgeen zij in het eerst hadden weggelaten, en vullen op deze wijze hun bericht aan; vgl. Joh. 3: 22^ en 4:2. De laatste woorden: Hem hebben zij niet gezien" bewijzen, dat deze twee discipelen Jeruzalem verlaten hadden, voordat het gerucht van de verschijning van Jezus aan Maria Magdalena hen bereikt had.

1) BD It. Syrcur laten koci 11a xxQw; weg.

Sluiten