Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl Hij dit zeide, toonde Hij hun zijn handen en zijn voeten) 1)."

Het woord hx^oyirpoi duidt de innerlijke redeneeringen voor en tegen aan; dus: de twijfelingen. — In vs 39 bewijst Jezus met den eersten zin zijn identiteit, en met den tweeden de werkelijkheid zijner verschijning. Het eerste oti is eigenlijk het object van "Sstc: „Ziet (en overtuigt u), dat. . het tweede beteekent want. Het volgende is namelijk een algemeene zin, dien de gevolgtrekking, welke uit het ^\«.cps.v gemaakt moet worden, rechtvaardigen moet. Uit deze woorden blijkt duidelijk: 1° dat de voeten evenzeer als de handen vastgenageld zijn geweest; en 2° dat Jezus zijn verheerlijkt lichaam nog niet had, maar nog het oude lichaam, dat evenwel door de opstanding tot een geheel nieuwen toestand verheven was.

Is het 40ste vers, dat de Cantabrig., verscheidene Mss. van de Itala en de oude Syrische overzetting weglaten, eveneens een glos uit Johannes (20 : 20) P Men zou tegen deze onderstelling kunnen aanvoeren, dat Johannes niet over de voeten, maar over de zijde van Jezus spreekt. Dit argument heeft echter niet veel kracht, daar het voorafgaande vers van Lukas, waar van de voeten sprake is, op den vorm van den geinterpoleerden zin invloed heeft kunnen uitoefenen. Het is waarschijnlijk dat wij ook hier met een interpolatie te doen hebben.

Vs. 41—43. „En toen zij het van blijdschap niet geloofden, en zich verwonderden2), zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten? 42. En zij gaven Hem een stuk gebraden visch 3). 43. En Hij nam het en at het voor hunne oogen."

1) 1) Itpler Syrcur laten dit geheele yers weg.

2) A plaatst Oxu/xae^ovtuv \66r cctto tvc; x<xpct$.

3) T. R. voegt hier. met E en 11 Mjj. Itpler Syrcur, xvo ^e^Ta-.ov Hiifioj er bijj SABDLn laten deze woorden weg.

Sluiten