Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was gebonden. En gesteld eens, dat het weggenomen is geworden, zou men dan het laken, waarin het gewikkeld was, hebben achtergelaten? Wat moet men op deze vragen antwoorden? Sabatier redt zich uit de verlegenheid door heel eenvoudig te zeggen: „De stoffelijke bestanddeelen van het lichaam, waarin Jezus hier beneden geleefd had, zijn tot de aarde teruggekeerd" '). Maar hoe moet men zich dezen terugkeer voorstellen? Zijn zij van zelf tot de aarde teruggekeerd? Maar er moeten eerst jaren verloopen, voordat de aarde een lijk zoo volkomen in zich opgenomen heeft, dat daarvan geen spoor meer overblijft. Eu het graf werd twee dagen na de begrafenis ledig gevonden, volgens het getuigenis van Paulus en de andere apostelen. Zou het de geestelijke Opgestane geweest zijn, die op aarde terugkeerde, om met zijn hemelsche handen een graf voor zijn lichaam te graven? — Het is bedroevend, zulk een vraagstuk op zulk een lichtzinnige wijze te zien oplossen. Even bedroevend is het, de groote woorden en de holle phrasen te lezen, waarmede deze godgeleerde uit de engte zoekt te geraken, waarin hij zich gedreven ziet, aan den eenen kant door zijn eerbied voor het zedelijk karakter der apostelen, die hem niet veroorlooft, hun een bedrog toa te schrijven, en aan den anderen kant door het onafhankelijk van alle historisch onderzoek bij hem vaststaande besluit, een wonder als de lichamelijke opstanding des Heeren niet aan te nemen.

Men spreekt van „onoplosbare moeilijkheden", van de neiging om „het verhevenste en kostelijkste, dat er is" te materialiseeren, van „populaire symbolen", waaronder „diepe waarheden" verborgen zijn. Men verschanst zich achter „het onbekende", „het onverklaarbare", — en waartoe dat alles? Om een feit, dat men niet wil zien, in nevelen te hullen, en het onbetwistbare te kunnen betwisten. Dit alles is eveneens van toepassing op de gelijke methode van Weizsacker in zijn jongste, overigens zoo voortreffelijke werk2).

1) Christianisme au XIXe siècle, avril 1880.

2) Das apostolische Zeitalter, 1886.

Sluiten