Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vierde Evangelie aan), hoe Hij aan de discipelen de litteekenen van zijn handen en voeten heeft kunnen toonen, zeggende: „Ziet, ik ben het zelf; een geest heeft noch vleesch, noch beenderen zooals gij ziet., dat ik heb", — om dit alles te kunnen verklaren, daartoe is Weiss genoodzaakt, aan te nemen, dat Jezus, telkens wanneer Hij verscheen, zich in een zichtbare gestalte hulde, die in ieder opzicht aan zijn vroeger lichaam herinnerde, en dat Hij haar weer aflegde, als de verschijning voorbij was. Maar hoe? Zijn doorboorde handen en voeten, die Hij Thomas deed aanraken, om hem van de werkelijkheid zijner tegenwoordigheid te overtuigen, zouden slechts een valsche schijn zijn, en die van leven en liefde stralende gestalte, waarin Hij aan de discipelen verscheen, zou slechts een masker zijn, en, als men zich zoo mag uitdrukken, niets anders, dan een soort van zinsbegoocheling? Waarlijk dan ware het nog beter, tot het gevoelen van Rothe terug te keeren, die meent, dat de verheerlijkte Jezus bij iedere verschijning zijn oud lichaam weer uit het graf ging halen, om zich daarvan weer te ontdoen, als Hij naar den hemel terugkeerde.

Wij bezitten woorden van Jezus en feiten uit zijn vroeger leven, die ons, naar het mij voorkomt, tot een derde zienswijze voeren, die natuurlijker is en tevens geschikter, om de schijnbaar elkander tegensprekende trekken in de verschijningen van Jezus met elkander in overeenstemming te brengen. Hij-zelf zegt tot Maria bij de eerste verschijning (Joh. 20:17): „Ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader; maar ik vaar op." Dit woord schijnt mij toe, aan te duiden, dat Jezus zich toen in een toestand van overgang gevoelde, die met zijn opstanding een aanvang had genomen en nog op zijn voltooiing wachtte. Zijn lichaam was nog wel het lichaam van vroeger, maar het was aan geheel nieuwe wetten onderworpen, en gehoorzaamde, zooals wij gezien hebben, den wil des geestes met een vrijheid, die het vroeger niet bezat. Twee feiten uit het aardsche leven van Jezus vertoonen zich aan ons als een voorspel van dezen tusschentoestand tusschen het aardsche leven en de volmaakte heer-

GODET Lukax. II. 41

Sluiten